Belanghebbende heeft de aangiften vennootschapsbelasting voor de jaren 2011 tot en met 2015 niet tijdig ingediend, waarop de inspecteur verzuimboeten heeft opgelegd. De rechtbank oordeelt dat zij onbevoegd is om kennis te nemen van de beroepen over de jaren 2011, 2012 en 2013, omdat het gaat om beslissingen tot afwijzing van verzoeken tot ambtshalve vermindering, waartegen geen rechtsmiddelen openstaan.
Voor de jaren 2014 en 2015 is de rechtbank wel bevoegd en ontvankelijk, omdat de beroepen zien op uitspraken op bezwaar tegen de opgelegde verzuimboeten. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende de aangiften niet tijdig heeft gedaan, maar verwerpt het beroep op afwezigheid van alle schuld. De privéomstandigheden van de bestuurder zijn onvoldoende uitzonderlijk en het had op zijn weg gelegen om uitstel te vragen of een derde in te schakelen.
De rechtbank wijst ook het verweer af dat slechts één gedraging tot één boete leidt en dat sprake zou zijn van gewekt vertrouwen. Wel acht de rechtbank de boeten disproportioneel en matigt deze met € 1.000 per jaar voor 2014 en 2015, gelet op de bijzondere omstandigheden zoals de financiële situatie en de adequate administratie. De inspecteur wordt veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.