ECLI:NL:RBZWB:2018:3670
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen sluiting bedrijfspand wegens handel in harddrugs
Verzoekster maakte bezwaar tegen het besluit van de burgemeester om haar bedrijfspand voor twaalf maanden te sluiten vanwege handel in harddrugs. De burgemeester baseerde dit op de vondst van 7,7 gram cocaïne op het terrein, onderdeel van een grotere hoeveelheid van 40 kilogram die in een container was aangetroffen en gecontroleerd werd gevolgd.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester bevoegd was om het pand te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De aanwezigheid van de drugs in een container op het terrein kwalificeert als een overtreding, ook al was het pand zelf niet als drugslokaal ingericht.
Verzoekster stelde dat zij niet op de hoogte was van de drugs en dat de situatie vergelijkbaar was met een eerdere uitspraak waarin geen sluiting werd toegestaan, maar de rechter vond die zaak niet vergelijkbaar. De belangenafweging woog zwaarder in het belang van de openbare orde dan het financiële nadeel van verzoekster.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het verzoek om voorlopige voorziening niet kon worden toegewezen en dat de begunstigingstermijn van twee weken niet onredelijk was. Het verzoek werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van het bedrijfspand wordt afgewezen.