ECLI:NL:RBZWB:2018:4412
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen UWV-besluit over anticumulatiebepaling WAO-uitkering en IKB-inkomsten
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV inzake de definitieve berekening van zijn WAO-uitkering over twee periodes in 2016 en 2017, waarbij het UWV inkomsten uit het Individueel Keuze Budget (IKB) heeft verrekend met zijn uitkering. Eiser ervaart deze verrekening als onrechtvaardig omdat dit leidt tot een lagere vaststelling van zijn mate van arbeidsongeschiktheid en minder verlof.
De rechtbank overweegt dat artikel 44 van Pro de WAO een anticumulatiebepaling bevat die bepaalt dat bij het genieten van inkomen uit arbeid naast een WAO-uitkering de uitkering niet wordt ingetrokken maar wordt aangepast. Het UWV moet daarbij uitgaan van het volledige SV-loon en kan niet afwijken van deze dwingende wettelijke regeling. De rechtbank erkent het onrechtvaardigheidsgevoel van eiser, maar kan op grond van de wet en de beleidsreacties van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid geen aanleiding vinden om het besluit te vernietigen.
De rechtbank wijst erop dat de problematiek rond IKB en de verrekening maatschappelijk wordt besproken, maar dat de wetgever bewust heeft gekozen voor deze regeling. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het UWV-besluit over de verrekening van IKB-inkomsten met de WAO-uitkering wordt ongegrond verklaard.