ECLI:NL:RBZWB:2018:4494
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot voorlopige hechtenis wegens onvoldoende concrete recidivegrond
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 17 juli 2018 de vordering van de officier van justitie tot voorlopige hechtenis van verdachte beoordeeld. Hoewel er ernstige bezwaren bestaan tegen verdachte voor de feiten genoemd in de vordering, zijn er geen wettelijke gronden voor voorlopige hechtenis aanwezig.
De rechtbank oordeelt dat het dossier onvoldoende basis biedt om het recidivegevaar als concreet en acuut aan te merken. Het strafblad van verdachte en het enkele bezit van een vuurwapen zijn niet voldoende om de recidivegrond aan te nemen. De verklaring van verdachte over de wijze van verkrijging van het wapen wordt niet overtuigend geacht, waardoor deze ook geen grond kan vormen voor de recidivegrond.
Daarnaast biedt de verdenking van overtreding van de Opiumwet geen indicatie voor betrokkenheid bij handel in softdrugs, zodat het bezit van het wapen niet in dat kader geplaatst kan worden. Gezien het ontbreken van voldoende gronden wijst de rechtbank de vordering tot gevangenhouding af.
De beslissing is genomen door de voorzitter en twee rechters, met aanwezigheid van de griffier. De officier van justitie is belast met de tenuitvoerlegging van deze beschikking en zal deze aan verdachte bekendmaken.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot voorlopige hechtenis af wegens het ontbreken van voldoende concrete en acute recidivegrond.