De zaak betreft een kort geding tussen een adjunct-directeur en zijn werkgever, een onderwijsinstelling, over zijn non-actiefstelling en loonsvorderingen.
De adjunct-directeur werd in april 2017 op non-actief gesteld vanwege een vertrouwensbreuk binnen het managementteam. Begin 2018 werden onregelmatigheden ontdekt in de administratie van leerlingenhandtekeningen, waarbij de adjunct-directeur mede aansprakelijk werd gehouden. De werkgever meldde dit aan de Inspectie en het Ministerie van Onderwijs, die zich nog beraden over de situatie.
De adjunct-directeur vorderde onder meer zijn wedertewerkstelling in zijn oude functie en betaling van volledig salaris tot het einde van het dienstverband. De werkgever vorderde in reconventie zijn hervatting van werkzaamheden als docent met salarisafbouw.
De rechtbank oordeelde dat de wedertewerkstelling niet kan worden toegewezen vanwege de onzekerheid rond de handtekeningenkwestie en de rol van de Inspectie en het Ministerie. De vordering tot hervatting als docent werd eveneens afgewezen, omdat onvoldoende is komen vast te staan dat sprake is van disfunctioneren of een gedwongen herplaatsing. De loonvorderingen over juli en augustus 2018, alsmede achterstallig salaris en vakantiegeld over mei en juni 2018, werden toegewezen. De overige vorderingen, waaronder rectificatie en volledige salarisbetaling tot einde dienstverband, werden afgewezen. Proceskosten werden gecompenseerd.