Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
980,00
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De zaak betreft een geschil tussen een legataris en een notaris over de afgifte van een grosse van een testament. De legataris vordert dat de notaris wordt veroordeeld tot afgifte van de grosse van het testament, zodat zij haar legaat kan gelde maken. Het legaat houdt in dat de legataris een bedrag van € 1.000 per maand ontvangt, dat vervalt bij hertrouwen of samenwonen.
De notaris weigert de grosse af te geven, stellende dat de grosse geen executoriale kracht heeft omdat het legaat een toekomstige vordering betreft die niet haar onmiddellijke grondslag vindt in een bestaande rechtsverhouding op het moment van het verlijden van de akte. De legataris beroept zich op de ministerieplicht van de notaris en op artikel 430 lid 1 Rv Pro, dat de tenuitvoerlegging van notariële aktes regelt.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het legaat een bestaande vordering onder opschortende voorwaarde is, voldoende bepaalbaar, en dat de legataris recht heeft op een executoriale titel. De notaris heeft een ministerieplicht tot afgifte van de grosse. De vordering van de legataris wordt toegewezen, de dwangsom wordt afgewezen omdat geen aanleiding is te veronderstellen dat de notaris het vonnis niet zal nakomen. De notaris wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De notaris wordt veroordeeld tot afgifte van de grosse van het testament aan de legataris binnen 48 uur.