ECLI:NL:RBZWB:2018:7163

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 december 2018
Publicatiedatum
2 januari 2019
Zaaknummer
AWB 18_4329
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 2 Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijstand zelfstandigen wegens onvoldoende onderbouwing levensvatbaarheid bedrijf

Eisers, houders van een zorgboerderij, deden in november 2017 een aanvraag voor bedrijfskapitaal en een uitkering voor kosten van levensonderhoud op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz). Baanbrekers, het uitvoeringsorgaan, vroeg om aanvullende stukken ter onderbouwing, maar eisers leverden niet alle gevraagde documenten binnen de gestelde termijn aan. Hierdoor werd de aanvraag aanvankelijk niet in behandeling genomen.

In het bestreden besluit van 18 juni 2018 verklaarde Baanbrekers het bezwaar gegrond, herzag het primaire besluit en wees de aanvraag af vanwege onvoldoende onderbouwing van het recht op bijstand. Eisers verzochten om een voorlopige voorziening, welke werd afgewezen. De rechtbank oordeelt dat het aan eisers is om aannemelijk te maken dat hun bedrijf levensvatbaar is, met voldoende gegevens over inkomen, vermogen, kosten en opbrengsten.

De rechtbank constateert dat de overgelegde gegevens over 2016 en 2017 onvoldoende zijn onderbouwd met bewijsstukken zoals bankafschriften en facturen, en dat de meerjarenbegroting geen privéuitgaven bevat. Dit leidt tot een onvolledig beeld van de financiële situatie. De rechtbank verwijst naar jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep die stelt dat jaarstukken noodzakelijk kunnen zijn voor de beoordeling van levensvatbaarheid.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst de aanvraag af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag om bijstand wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van de levensvatbaarheid.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 18/4329 BBZ

uitspraak van 28 december 2018 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] en [naam eiser] , te [plaatsnaam] , eisers,

gemachtigde: mr. C.J. van der Have,
en

het dagelijks bestuur van de Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers, verweerder.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 18 juni 2018 (bestreden besluit) van Baanbrekers. Dit besluit gaat over hun aanvraag op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz).
De zaak is behandeld in Breda op 19 november 2018. Eiseres [naam eiseres] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens Baanbrekers is verschenen drs. B.E.C. Bertens.

Overwegingen

1. Eisers hebben een zorgboerderij. Zij hebben in november 2017 een aanvraag ingediend om bedrijfskapitaal en een uitkering voor de kosten van levensonderhoud, op grond van het Bbz.
Besluiten van Baanbrekers
2. Baanbrekers heeft aan eisers gevraagd om de aanvraag te onderbouwen met nader genoemde stukken. Eisers hebben niet alle stukken ingeleverd binnen de daartoe gestelde termijn. Dit is de reden dat Baanbrekers de aanvraag in eerste instantie niet verder in behandeling heeft genomen.
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen dit primaire besluit van 23 maart 2018.
3. In het bestreden besluit stelt Baanbrekers dat het ten tijde van het primaire besluit niet meer mogelijk was om de aanvraag buiten behandeling te stellen. Baanbrekers heeft het bezwaar gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en de aanvraag afgewezen. Kort gezegd vindt Baanbrekers dat eisers te weinig stukken hebben ingeleverd om het recht op bijstand vast te kunnen stellen. Baanbrekers verwijst daarbij naar het advies van de Adviescommissie Bezwaarschriften.
Uitspraak voorzieningenrechter
4. Eisers hebben de voorzieningenrechter gevraagd om aan hen een uitkering te verstrekken, in afwachting van de behandeling van hun beroepschrift. Dit wordt een ‘verzoek om voorlopige voorziening’ genoemd. De voorzieningenrechter heeft het verzoek afgewezen (ECLI:NL:RBZWB:2018:4151).
Beoordeling rechtbank
5. Het gaat in deze zaak om de afwijzing van een aanvraag om bijstand. Het is in eerste instantie aan de aanvrager om aannemelijk te maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Als de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingenverplichting voldoet en als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, is dit een grond voor weigering van de bijstand.
6. Het is daarom aan eisers om aannemelijk te maken dat er sprake is van een levensvatbaar bedrijf (artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bbz). Zij moeten zodanige gegevens aanleveren, dat op grond van die gegevens de levensvatbaarheid van hun bedrijf kan worden beoordeeld. Zo moet er goed zicht zijn op (onder meer) inkomen, vermogen, privéuitgaven, kosten, omzet en winst.
7. Partijen verschillen van mening of de overgelegde gegevens voldoende zijn om de levensvatbaarheid van het bedrijf te kunnen beoordelen. De rechtbank vindt dat eisers in ieder geval voldoende gegevens aan moeten leveren over 2016 en 2017. Dit omdat juist gegevens uit het recente verleden relevant zijn voor de vraag of het bedrijf levensvatbaar is.
De rechtbank stelt vast dat eisers over 2016 en 2017 een overzicht hebben gegeven van de inkomsten en een overzicht van de schulden per 14 november 2017. Daarnaast hebben eisers een meerjarenbegroting overgelegd over de jaren 2017-2025. De rechtbank vindt deze gegevens niet voldoende. Ten eerste zijn de inkomsten en schulden niet met bewijsstukken onderbouwd (zoals bankafschriften en facturen) en zijn de begrote privéuitgaven niet in de meerjarenbegroting meegenomen. Ten tweede geven deze gegevens een onvolledig beeld ten aanzien van (onder meer) het inkomen, vermogen, privéuitgaven, kosten, omzet of winst in de jaren 2016 en 2017.
Baanbrekers heeft daarom van eisers mogen verlangen dat zij meer gegevens zouden verstrekken over (in ieder geval) de jaren 2016 en 2017. Dit blijkt ook uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 januari 2013, waarin is overwogen dat het bestuursorgaan jaarstukken noodzakelijk heeft kunnen achten voor de beoordeling van de levensvatbaarheid van een bedrijf (ECLI:NL:CRVB:2013:BY9351).
8. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, rechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 december 2018.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.