Belanghebbende, eigenaar van negen personenauto’s, kreeg een naheffingsaanslag BPM opgelegd door de inspecteur vanwege een vermeend te laag aangegeven BPM-bedrag. De inspecteur baseerde zijn aanslag op een boekenonderzoek en verwierp de door belanghebbende gebruikte taxatierapporten en schadebedragen.
De rechtbank oordeelde dat de inspecteur niet aannemelijk had gemaakt dat het door belanghebbende aangegeven BPM-bedrag te laag was. De taxatierapporten werden als voldoende onderbouwing geaccepteerd, terwijl de inspecteur onvoldoende motiveerde waarom aankoopfacturen een betere maatstaf zouden zijn. De naheffingsaanslag werd daarom verminderd tot het bedrag dat daadwerkelijk niet was voldaan.
Daarnaast werden de te laat ingediende verweerschriften en stukken buiten beschouwing gelaten vanwege de belemmering van een efficiënte procesgang. De rechtbank veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van proceskosten boven het standaardbedrag wegens bijzondere omstandigheden. Een verzoek om immateriële schadevergoeding werd afgewezen omdat de gestelde spanning en frustratie onvoldoende waren onderbouwd.