Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, woonachtig in België, heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag inkomstenbelasting 2015 waarbij hij de aftrek van een lijfrentepremie betwistte. Hij stelde dat hij kwalificerende buitenlandse belastingplichtige was en daarom recht had op aftrek van de lijfrentepremie. De inspecteur wees het bezwaar af omdat het Nederlandse belastbare inkomen 89,55% bedroeg van het totale inkomen, net onder de vereiste 90%, en omdat geen inkomensverklaring van de Belgische belastingautoriteiten was overgelegd.
Belanghebbende voerde aan dat het inkomen volledig uit Nederland kwam en dat het percentage volgens afrondingsregels op 90% moest worden gesteld. De rechtbank oordeelde dat afronding niet is toegestaan en dat het ontbreken van de inkomensverklaring een fundamenteel bezwaar vormt. Tevens werd geen beroep gedaan op Europees recht en werden geen feiten aangevoerd om toepassing van het achtste lid van artikel 7.8 Wet inkomstenbelasting 2001 aan te tonen.
De rechtbank concludeerde dat belanghebbende niet voldeed aan de voorwaarden voor kwalificerende buitenlandse belastingplichtige, waardoor de aftrek van de lijfrentepremie niet toekomt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard wegens niet voldoen aan de 90%-eis en het ontbreken van een inkomensverklaring.