Belanghebbende heeft op zijn nieuwbouwwoning geïntegreerde zonnepanelen laten installeren en levert daarmee energie aan het energiebedrijf, waardoor hij ondernemer is voor de omzetbelasting. Hij heeft een teruggaaf van voorbelasting gevraagd, maar de inspecteur paste een forfaitaire regeling toe die de aftrek corrigeerde. Belanghebbende vorderde een hogere aftrek op basis van drie berekeningswijzen, waarbij hij onder meer stelde dat de zonnepanelen als bestanddeel van de woning zijn en dat het werkelijke gebruik leidend moet zijn.
De rechtbank oordeelt dat de zonnepanelen na installatie als bestanddeel van de woning zijn gaan behoren, omdat zij hun fysieke en economische eigenschappen verloren en duurzaam de waarde van de woning verhogen. Dit betekent dat de aftrek van voorbelasting moet worden berekend naar evenredigheid van het gebruik van de woning voor btw-belaste activiteiten. Belanghebbende heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het werkelijk gebruik recht geeft op een hogere aftrek dan de forfaitaire regeling.
Daarnaast faalt het beroep op het gelijkheidsbeginsel, omdat geïntegreerde en niet-geïntegreerde zonnepanelen geen gelijke gevallen zijn. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de door de inspecteur toegepaste teruggaaf. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.