Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende exploiteert een attractiepark en bracht zowel entreegelden als parkeergelden in rekening. Zij stelde dat het verlaagd tarief van 6% omzetbelasting ook op de parkeergelden van toepassing moest zijn, omdat parkeren een samengestelde prestatie of een bijkomende dienst zou zijn bij de toegang tot het park.
De rechtbank stelde vast dat het verlenen van toegang tot het park en het gelegenheid geven tot parkeren twee afzonderlijke prestaties zijn. Bezoekers kunnen het park ook zonder auto bezoeken, waardoor geen sprake is van een ondeelbare economische prestatie. Ook is parkeren geen bijkomende dienst die het fiscale lot van de hoofddienst volgt, omdat parkeren voor bezoekers een doel op zich is en een zelfstandige prestatie vormt.
Daarnaast faalde het beroep op het gelijkheidsbeginsel, omdat het parkeren bij het attractiepark wezenlijk verschilt van het parkeren bij kampeer- en verblijfsbedrijven waarvoor het verlaagde tarief geldt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende op toepassing van het verlaagd tarief op parkeergelden wordt ongegrond verklaard.