Belanghebbende heeft zich ingekeerd voor het niet aangeven van buitenlands vermogen over de jaren 2003 tot en met 2013. Tussen belanghebbende en de inspecteur is een vaststellingsovereenkomst (vso) gesloten waarin is overeengekomen dat er één navorderingsaanslag over het jaar 2010 wordt opgelegd, inclusief een boete en heffingsrente. In deze vso is tevens uitdrukkelijk en onvoorwaardelijk afstand gedaan van het recht op bezwaar en beroep tegen de belastingaanslag.
Belanghebbende stelde dat zij bij het sluiten van de vso had gedwaald, omdat zij meende dat de afstand van rechtsmiddelen niet zou gelden voor het voortvarendheidsvereiste en de termijnoverschrijding bij de oplegging van de navorderingsaanslag. De rechtbank oordeelde dat belanghebbende professioneel werd bijgestaan en dat er geen sprake was van een wilsgebrek of dwaling. De vso is bindend en bevat een duidelijke afstand van rechtsmiddelen.
Verder werd het argument van belanghebbende verworpen dat de inspecteur de vso niet zou zijn nagekomen door de belastingaanslag pas in 2017 op te leggen, terwijl in de vso was vermeld dat de heffingsrente tot 6 juni 2015 was berekend. Er was geen afspraak gemaakt over de exacte datum van oplegging. Ook het beroep op het Besluit Fiscaal Bestuursrecht, kenmerk BLKB 2015/62M, werd afgewezen omdat de beleidsregel niet van toepassing is op deze navorderingsaanslag en omdat de keuze voor het jaar 2010 willekeurig was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.