De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het geschil over de erfbelasting na het overlijden van de erflater in 2014. Belanghebbenden, de erfgenamen, hadden bezwaar gemaakt tegen de aanslagen erfbelasting die de inspecteur ambtshalve had opgelegd. De kern van het geschil betrof of de vereiste aangifte was gedaan en of de erflater ten tijde van zijn overlijden of in de tien jaren daarvoor in Nederland woonde.
De rechtbank stelde vast dat belanghebbenden de aangifte hadden gedaan door een gemotiveerde brief aan de inspecteur waarin zij aangaven geen erfbelasting verschuldigd te zijn, ondanks dat het aangiftebiljet slechts één erfgenaam vermeldde. Dit was voldoende om aan de aangifteplicht te voldoen. Vervolgens onderzocht de rechtbank de fiscale woonplaats van de erflater. De inspecteur stelde dat de erflater in Nederland woonde, onder meer vanwege inschrijving in de Basisregistratie Personen, bezit van vastgoed, bankrekeningen en andere banden met Nederland.
Belanghebbenden betwistten dit en leverden bewijs dat de erflater sinds begin jaren negentig in Kenia woonde en daar belastingplichtig was. Ook werd toegelicht dat de inschrijving in Nederland en andere banden vooral vermogensrechtelijk van aard waren en dat de erflater slechts sporadisch in Nederland verbleef voor medische behandelingen. De rechtbank vond de stellingen van belanghebbenden overtuigend en oordeelde dat de erflater geen duurzame persoonlijke band met Nederland had.
Daarom vernietigde de rechtbank de aanslagen erfbelasting en de belastingrentebeschikkingen. Tevens veroordeelde zij de inspecteur in de proceskosten van belanghebbenden.