Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan de tenlastegelegde feiten.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze strafzaak stond verdachte terecht wegens deelname aan een criminele organisatie gericht op oplichting en diefstal, alsmede het witwassen van geldbedragen. De tenlastelegging betrof onder meer het verborgen houden van de herkomst van geldbedragen en het medeplegen van diefstal met valse sleutel.
De zaak werd inhoudelijk behandeld op 29 maart 2019, waarbij zowel de officieren van justitie als de verdediging hun standpunten presenteerden. De officieren baseerden hun bewijs op verklaringen van een aangever, de moeder van verdachte en gegevens van een pintransactie. De verdediging voerde aan dat de herkenning van verdachte op camerabeelden onvoldoende was en dat er geen overtuigend bewijs was voor zijn betrokkenheid.
De rechtbank oordeelde dat ondanks aanwijzingen voor betrokkenheid, niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat verdachte daadwerkelijk de pintransactie had verricht of nauw samenwerkte met de pleger daarvan. Gezien het ontbreken van overtuigend bewijs en de stelligheid van de ontkenning, sprak de rechtbank verdachte integraal vrij van alle tenlastegelegde feiten.
Uitkomst: Verdachte wordt integraal vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor betrokkenheid bij de tenlastegelegde feiten.