Verzoeksters, eigenaar en huurder van een pand waar een tuincentrum is gevestigd, maakten bezwaar tegen besluiten tot sluiting van het pand vanwege de aanwezigheid van voorwerpen die gebruikt kunnen worden voor hennepkwekerijen.
De burgemeester had de sluiting bevolen op grond van de Opiumwet, waarbij werd gesteld dat de voorwerpen bestemd waren voor grootschalige hennepteelt. Verzoeksters betoogden dat de voorwerpen ook voor legale tuinbouwdoeleinden worden gebruikt en dat er geen bewijs is dat zij wisten of moesten vermoeden dat de voorwerpen voor hennepteelt werden verkocht.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de combinatie en hoeveelheid van de voorwerpen op zichzelf niet voldoende is om aan te nemen dat verzoekster sub 2 ernstige redenen had om te vermoeden dat deze bestemd waren voor hennepkwekerijen. Ook ontbrak bewijs dat de verkopers wisten van de illegale bestemming door kopers.
Daarom was de burgemeester niet bevoegd de sluiting te gelasten en werd het verzoek tot schorsing van de besluiten toegewezen. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.