ECLI:NL:RBZWB:2019:2879

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 juni 2019
Publicatiedatum
27 juni 2019
Zaaknummer
19/2278
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • T. Peters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.25 WaboArt. 2.20 WaboArt. 2, eerste lid, aanhef en onder a WaboArt. 7:9 AwbArt. 8:29 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen herroeping omgevingsvergunning retraitehotel

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Breda tot herroeping en intrekking van de omgevingsvergunning voor het bouwen van een retraitehotel. Zij stelde dat het college ten onrechte buiten de omvang van het bezwaar is getreden en dat het besluit gebaseerd is op onjuiste feiten, aangezien het pand sinds najaar 2018 geheel is verhuurd aan een derde die de verbouwing en exploitatie voor eigen rekening uitvoert.

De voorzieningenrechter overwoog dat het belang van verzoekster primair financieel is en dat een financieel belang op zich geen grond is voor het treffen van een voorlopige voorziening, tenzij sprake is van een acute financiële noodsituatie. Verzoekster kon deze noodsituatie niet aannemelijk maken, mede omdat zij recht heeft op huurpenningen.

Ook was er geen sprake van een evident onrechtmatig besluit dat zonder diepgaand onderzoek geschorst zou moeten worden. Het college had het besluit gebaseerd op adviezen van het Landelijk Bureau Bibob en het vermoeden van risico’s op strafbare feiten bij het gebruik van het pand na bouwactiviteiten.

De voorzieningenrechter wees het verzoek tot voorlopige voorziening af en bepaalde dat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel openstaat.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de herroeping van de omgevingsvergunning wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en geen evident onrechtmatig besluit.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 19/2278 WABOA VV

uitspraak van 21 juni 2019 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoekers] , te Bavel, verzoekster,

gemachtigde: mr. T.D. Rijs,
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder,

gemachtigde: mr. T.N. Sanders.
Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:
[naam belanghebbende], (hierna: de Stichting).

Procesverloop

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 15 mei 2019 van het college (bestreden besluit) inzake de herroeping en intrekking van de aan haar verleende omgevingsvergunning voor zover het betreft de activiteit ’bouwen’. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en heeft voor wat betreft de Stichting ten aanzien van een aantal stukken verzocht om geheimhouding op grond van artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij beslissing van 28 mei 2019 heeft de rechtbank bepaald dat beperking van de kennisneming van de genoemde stukken gerechtvaardigd is. De stichting heeft vervolgens toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb gegeven.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 12 juni 2019. Het deel van de zitting waarbij de inhoud van de 8:29-stukken is besproken, is achter gesloten deuren behandeld. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C.P. Brouwers en G.M.J. van Gastel, bijgestaan door gemachtigde. Derde partij heeft zich laten vertegenwoordigen door K. Snijders.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 7 juli 2017 heeft verzoekster een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van een retraitehotel en het kappen van 7 bomen op de locatie [adres hotel] te Bavel. Op deze aanvraag heeft het college de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen bestuur (Wet Bibob) van toepassing verklaard.
Op 27 oktober 2017 heeft het Landelijk Bureau Bibob (LBB) advies uitgebracht. Bij brief van 9 november 2017 heeft het college het voornemen kenbaar gemaakt om de gevraagde omgevingsvergunning te weigeren. Op 20 december heeft verzoekster haar zienswijze naar voren gebracht. Naar aanleiding van deze zienswijze heeft het college het LBB om een aanvullend advies gevraagd. Op 28 februari 2018 heeft het LBB aanvullend advies uitgebracht.
Bij brief van 1 april 2018 heeft het college het voornemen van 9 november 2017 ingetrokken.
Bij besluit van 3 april 2018 (primair besluit) heeft het college verzoekster de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘het bouwen van een bouwwerk’, ‘het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde of van werkzaamheden, in gevallen waarbij dat in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald’ en ‘het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een rijksmonument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een rijksmonument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht’.
Tegen dit besluit heeft de Stichting op 14 mei 2018 bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van een wijziging van bestuurders binnen verzoekster heeft het college bij brief van 20 juni 2018 het LBB verzocht om advies uit te brengen omtrent de aan verzoekster verleende omgevingsvergunning. Op 3 augustus 2018 heeft het LBB advies uitgebracht.
Op 31 augustus 2018 heeft het college verzoekster meegedeeld voornemens te zijn om de gevraagde omgevingsvergunning in heroverweging te weigeren. Op 15 oktober 2018 heeft verzoekster haar zienswijze naar voren gebracht.
Naar aanleiding van deze zienswijze heeft het college het LBB om een nader advies gevraagd. Op 14 februari 2019 heeft het LBB aanvullend advies uitgebracht.
Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van de Stichting ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college het primaire besluit gedeeltelijk herroepen, en wel voor zover dit besluit ertoe strekt om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) te verlenen en de aanvraag in zoverre af te wijzen.
Op 17 mei 2019 heeft een inspecteur Veiligheid & Leefomgeving de bouwwerkzaamheden middels bestuursdwang mondeling stilgelegd, respectievelijk verzoekster gesommeerd de bouwwerkzaamheden te staken en gestaakt te houden. Bij besluit van 27 mei 2019 heeft het college de toepassing van bestuursdwang schriftelijk bevestigd.
Het college heeft aan het bestreden besluit het LBB-advies van 14 februari 2019 ten grondslag gelegd. Het college stelt zich op het standpunt dat ernstig gevaar bestaat dat de door verzoekster aangevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen op geld waardeerbare voordelen te benutten (a-grond) en dat ernstig gevaar bestaat dat de gevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (b-grond).
2. Verzoekster heeft, samengevat, aangevoerd dat het college buiten de omvang van
het bezwaar is getreden door de vergunning te herroepen en alsnog te weigeren. Het bestreden besluit is kennelijk gebaseerd op een ten aanzien van haar door het LBB uitgebracht advies. Zij heeft het pand echter sinds najaar 2018 geheel verhuurd aan [naam huurder], die voor eigen rekening en risico de verbouwing tot hotel laat verrichten en dat ter plaatse gaat exploiteren. Volgens verzoekster heeft zij het pand enkel als beleggingsobject in eigendom. Vanwege de verhuur is in oktober 2018 ex artikel 2.25, tweede lid, van de Wabo formeel melding gedaan bij het college van overdracht van de vergunning aan [naam huurder]. Met dit gegeven is blijkens het bestreden besluit geen rekening gehouden. Het besluit is gebaseerd op een advies dat uitgaat van een onjuiste situatie met betrekking tot de rechthebbende van het pand. Het besluit is aan de verkeerde partij bekend gemaakt, althans niet ook aan de vergunninghouder [naam huurder]. Volgens verzoekster volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 4 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2238) dat bij een verhuurd pand, waar de verhuurder geen zeggenschap heeft op de verbouwing en/of exploitatie, de verhuurde niet gelijk is te stellen als aanvrager ex artikel 2.20 van de Wabo. In een dergelijke situatie is er overigens ook geen sprake van een relevant zakelijk samenwerkingsverband. Het aanvullend advies van het LBB is verzoekster geheel onbekend, net als het gegeven dat er een nieuw advies was gevraagd. Er is ook geen gelegenheid gegeven daarvan voor het nemen van de beslissing kennis te nemen en daarop te reageren. Daarmee is in strijd met artikel 7:9 van Pro de Awb gehandeld, waardoor het besluit niet zorgvuldig is voorbereid en zij ernstig in haar belangen is geschaad. Verder geldt volgens verzoekster, gelet op de uitspraak van 14 november 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3717), voor de toepassing van de wet Bibob bij omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen dat deze enkel ziet op het gebruik dat van het pand kan worden gemaakt na de realisering van bouwwerkzaamheden. Er bestaat vanwege de Wet Bibob dan ook sowieso geen groot belang bij het voorkomen van de uitvoering van verdere bouwwerkzaamheden ter voorkoming van het plegen van strafbare feiten bij de bouw, maar van het gebruiken van het pand voor criminele activiteiten na de uitvoering van de bouwwerkzaamheden. Daarvan is nog (lang) geen sprake. De bouwwerkzaamheden zullen nog maanden in beslag nemen. Overigens zijn de werkzaamheden reeds zeer lang bezig en is er door toezichthouders van de gemeente intensief gecontroleerd. Daarbij zijn geen overtredingen geconstateerd, aldus verzoekster. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen, althans voor zover daarbij de omgevingsvergunning is herroepen en alsnog geweigerd.
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige als onverwijlde spoed dat vereist. Allereerst ligt dus de vraag voor of verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de schorsing van het bestreden besluit. Concreet betekent dit dat van verzoekster niet gevergd kan worden de uitspraak op het beroep tegen het bestreden besluit af te wachten.
4. Het college stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een spoedeisend belang. Volgens het college is sprake van een louter financieel belang. Verzoekster stelt dat uit de door haar overgelegde tussentijdse balans en winst- en verliesrekening blijkt van een penibele financiële situatie.
5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet het door verzoekster gestelde belang worden aangemerkt als een financieel belang. Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is een financieel belang op zich geen reden voor het treffen van een voorlopige voorziening. Eventuele schade kan immers worden verhaald indien achteraf blijkt dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Dat kan anders zijn indien sprake is van een financiële noodsituatie.
6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van het voor het treffen van een voorlopige voorziening vereiste spoedeisend belang. Uit de door verzoekster overgelegde tussentijdse balans en winst- en verliesrekening blijkt niet van een acute financiële noodsituatie. Daarbij neemt de voorzieningenrechter mede in aanmerking dat verzoekster recht heeft op huurpenningen vanwege de verhuur van het pand aan [naam huurder].
7. Bij het ontbreken van voldoende spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening, zoals hier het geval is, bestaat slechts aanleiding voor het niettemin treffen van een voorlopige voorziening indien ook zonder diepgaan onderzoek naar de relevante feiten en/of recht zeer ernstig dient te worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en het besluit in de hoofzaak in stand zal blijven. Er moet, met andere woorden, sprake zijn van een evident onrechtmatig besluit. De voorzieningenrechter ziet in wat verzoekster heeft aangevoerd geen grond voor dat oordeel.
8. De voorzieningenrechter zal het verzoek afwijzen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopig voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van W.J. Steenbergen, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2019.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.