Overwegingen
1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 7 juli 2017 heeft [naam vergunninghouder] een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van een retraitehotel en het kappen van 7 bomen op de locatie [adres hotel] te Bavel. Op deze aanvraag heeft het college de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen bestuur (Wet Bibob) van toepassing verklaard.
Op 27 oktober 2017 heeft het Landelijk Bureau Bibob (LBB) advies uitgebracht. Bij brief van 9 november 2017 heeft het college aan [naam vergunninghouder] het voornemen kenbaar gemaakt om de gevraagde omgevingsvergunning te weigeren. Op 20 december 2017 heeft [naam vergunninghouder] haar zienswijze naar voren gebracht. Naar aanleiding van deze zienswijze heeft het college het LBB om een aanvullend advies gevraagd. Op 28 februari 2018 heeft het LBB aanvullend advies uitgebracht.
Bij brief van 1 april 2018 heeft het college het voornemen van 9 november 2017 ingetrokken.
Bij besluit van 3 april 2018 (primair besluit) heeft het college [naam vergunninghouder] de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘het bouwen van een bouwwerk’, ‘het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde of van werkzaamheden, in gevallen waarbij dat in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald’ en ‘het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een rijksmonument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een rijksmonument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht’.
Tegen dit besluit heeft de Stichting op 14 mei 2018 bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van een wijziging van bestuurders binnen [naam vergunninghouder] heeft het college bij brief van 20 juni 2018 het LBB verzocht om advies uit te brengen omtrent de aan verzoekster verleende omgevingsvergunning. Op 3 augustus 2018 heeft het LBB advies uitgebracht.
Op 31 augustus 2018 heeft het college [naam vergunninghouder] meegedeeld voornemens te zijn om de gevraagde omgevingsvergunning in heroverweging te weigeren. Op 15 oktober 2018 heeft [naam vergunninghouder] haar zienswijze naar voren gebracht.
Naar aanleiding van deze zienswijze heeft het college het LBB om een nader advies gevraagd. Op 14 februari 2019 heeft het LBB aanvullend advies uitgebracht.
Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van de Stichting ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college het primaire besluit gedeeltelijk herroepen, en wel voor zover dit besluit ertoe strekt om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) te verlenen en de aanvraag in zoverre af te wijzen.
Op 17 mei 2019 heeft een inspecteur Veiligheid & Leefomgeving de bouwwerkzaamheden middels bestuursdwang mondeling stilgelegd, respectievelijk [naam vergunninghouder] gesommeerd de bouwwerkzaamheden te staken en gestaakt te houden. Bij besluit van 27 mei 2019 heeft het college de toepassing van bestuursdwang schriftelijk bevestigd aan [naam vergunninghouder].
Het college heeft aan het bestreden besluit het LBB-advies van 14 februari 2019 ten grondslag gelegd. Het college stelt zich op het standpunt dat ernstig gevaar bestaat dat de door [naam vergunninghouder] aangevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen op geld waardeerbare voordelen te benutten (a-grond) en dat ernstig gevaar bestaat dat de gevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (b-grond).
2. Verzoekster heeft, samengevat, aangevoerd dat het bestreden besluit geen stand kan houden, nu het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard en derhalve geen heroverweging aan de orde kan zijn. Het bezwaar is ingediend door en stichting die niet bekend is in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Er is dan ook namens een niet bestaande rechtspersoon bezwaar gemaakt. Verder voert verzoekster aan dat het college buiten omvang van het bezwaar is getreden. Door in bezwaar (niet op de grondslag van het bezwaar, dat is ongegrond verklaard) de vergunning te herroepen en alsnog te weigeren. Verzoekster voert verder aan dat het bestreden besluit is gericht aan [naam vergunninghouder] en is gebaseerd op een advies dat (kennelijk) door het LBB is uitgebracht over de eigenaar van het pand. Verzoekster stelt dat zij het pand het pand van [naam vergunninghouder] huurt en voor eigen rekening en risico de verbouwing tot hotel laat verrichten en het hotel gaat exploiteren. Vanwege de verhuur is door [naam vergunninghouder] in oktober 2018 ex artikel 2.25, tweede lid, van de Wabo formeel melding gedaan bij het college van overdracht van de vergunning aan haar. Met dit gegeven is blijkens het bestreden besluit geen rekening gehouden. Het besluit is gebaseerd op een advies dat uitgaat van een onjuiste situatie met betrekking tot de rechthebbende op het pand en de persoon van de vergunninghouder. Het bestreden besluit is ook aan de verkeerde partij bekend gemaakt, althans ten onrechte niet ook aan haar, aldus verzoekster. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen, althans voor zover daarbij de omgevingsvergunning is herroepen en alsnog geweigerd.
3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
De voorzieningenrechter overweegt dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol. Nu bij de rechtbank beroep is ingesteld, dient de vraag te worden beantwoord of sprake is van onverwijlde spoed die noopt tot het treffen van een voorlopige voorziening in afwachting van de uitspraak van de rechtbank op het beroep.
Hierbij is van belang dat op grond van vaste rechtspraak een financieel belang op zichzelf geen reden vormt om een voorlopige voorziening te treffen. Dit is slechts anders, indien het financiële belang zodanig zwaarwegend is dat sprake is van een actuele financiële noodsituatie of dat daardoor de continuïteit van een onderneming wordt bedreigd. Verzoekster heeft een balans per 11 juni 2019 overgelegd. Verder heeft zij ter zitting verklaard dat de achterstand in betaling van huurpenningen is opgelopen en dat de omstandigheid dat zij niet kan beschikken over de vergunning problemen geeft bij het verkrijgen van externe financiering. Gelet op de door verzoekster overgelegde financiële stukken en de ter zitting gegeven toelichting is de voorzieningenrechter van oordeel dat in het voorliggende geval voldoende aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een spoedeisend belang.
4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de bodemzaak niet.
4. Ingevolge artikel 2.25, eerste lid, van de Wabo geldt een omgevingsvergunning voor eenieder die het project uitvoert waarop zij betrekking heeft. De vergunninghouder draagt ervoor zorg dat de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften worden nageleefd.
Ingevolge het tweede lid meldt, indien een omgevingsvergunning zal gaan gelden voor een ander dan de aanvrager of de vergunninghouder, de aanvrager onderscheidenlijk de vergunninghouder dat ten minste een maand voordien aan het bevoegd gezag.
5. Voordat de voorzieningenrechter kan toekomen aan een inhoudelijke beoordeling dient eerst te worden beoordeeld of het bezwaar van de Stichting door het college terecht ontvankelijk is verklaard.
De voorzieningenrechter volgt niet het door verzoekster ingenomen standpunt dat het bezwaar van de Stichting niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. Met het college is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vermelding dat bezwaar wordt gemaakt namens de ‘[tenaamstelling 1 belanghebbende]’ in plaats van ‘[tenaamstelling 2 belanghebbende]’ een kennelijke misslag betreft. Daarbij heeft het college er terecht op gewezen dat in het bezwaarschrift het adres van laatst genoemde Stichting is vermeld. Daarnaast heeft de vertegenwoordiger van de Stichting tijdens de zitting van de voorzieningenrechter verklaard dat de ‘[tenaamstelling 1 belanghebbende]’ een werktitel betreft en dat met het bezwaarschrift is beoogd om namens de ‘[tenaamstelling 2 belanghebbende]’ bezwaar te maken. Uit het voorgaande volgt dat het college de Stichting terecht in haar bezwaren heeft ontvangen.
6. Ten aanzien van het door verzoekster ingenomen standpunt dat het college buiten omvang van het bezwaar is getreden overweegt de voorzieningenrechter dat uit artikel 7:11, eerste lid, van de Awb volgt dat op grondslag van het bezwaar een heroverweging plaatsvindt. De bezwaarschriftenprocedure is bedoeld voor een volledige heroverweging die niet is gebonden aan argumenten of omstandigheden die in het bezwaarschrift aan de orde zijn gesteld. Dat betekent dat in het bestreden besluit een niet eerder in de procedure ingeroepen weigeringsgrond kan worden gehanteerd en dat daarmee niet buiten de grenzen wordt getreden die artikel 7:11, eerste lid, van de Awb stelt aan de heroverweging in bezwaar (zie hiervoor ook ECLI:NL:RVS:2017:2483). 7. Het college stelt dat verzoekster geen belanghebbende is bij het bestreden besluit. Verzoekster is geen houder van de vergunning en het belang van verzoekster als huurder van het pand vormt geen rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang, maar een afgeleid belang.
8. Verzoekster stelt dat zij het pand van [naam vergunninghouder] huurt om voor eigen rekening en risico de verbouwing tot hotel te laten verrichten en het hotel gaat exploiteren. Volgens verzoekster heeft [naam vergunninghouder] vanwege de verhuur in oktober 2018 ex artikel 2.25, tweede lid, van de Wabo formeel melding gedaan bij het college van overdracht van de vergunning aan haar. Ter onderbouwing van deze melding heeft verzoekster een op 17 oktober 2018 gedateerde melding overgelegd waarin door [naam vergunninghouder] aan de gemeente Breda is gemeld dat de verleende vergunning is overgedragen aan verzoekster en een door de gemeente Breda op 17 oktober 2018 afgegeven ontvangstbewijs.
9. Naar aanleiding van de overgelegde melding en het ontvangstbewijs heeft het college onderzoek gedaan. De ontvangstbevestiging is naar de mening van het college authentiek en in zoverre staat volgens het college vast dat op 17 oktober 2018 iets is ingeleverd bij het college. Het ingeleverde document is echter niet in de gemeentelijke archieven (zowel papier, als digitaal) aangetroffen. Ook de betreffende baliemedewerkster kan zich het ingeleverde stuk niet herinneren. Het college heeft zijn twijfels geuit bij de vraag of de door verzoekster overgelegde melding van 17 oktober 2018 daadwerkelijk het ingeleverde stuk is, maar stelt dat hij die stelling bij gebrek aan bewijs niet onderbouwen.
10. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet er, gelet op het voorgaande, vanuit worden gegaan dat op 17 oktober 2018 door [naam vergunninghouder] is gemeld dat de in geding zijnde vergunning is overgedragen aan verzoekster. Weliswaar is dat niet vast komen te staan, maar dat is een gebrek in de gemeentelijke administratie dat voor rekening en risico van het college komt. Dat betekent ook dat het college al maanden had kunnen en moeten weten dat de verleende omgevingsvergunning is gaan gelden voor verzoekster. Voor door het college ter zitting ingenomen standpunt dat na de melding ex artikel 2.25, tweede lid, van de Wabo er twee vergunninghouders zijn heeft de voorzieningenrechter in genoemd artikellid geen aanknopingspunten gevonden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit het bepaalde in artikel 2.25, tweede lid, van de Wabo dat na overdracht de vergunning gaat gelden voor een ander dan de aanvrager. Dat betekent dat vanaf de op 17 oktober 2018 gedane melding ex artikel 2.25, tweede lid, van de Wabo de vergunninghouder niet meer [naam vergunninghouder], maar verzoekster is. Hieruit volgt dat verzoekster belanghebbende is bij het bestreden besluit.
11. Het voorgaande betekent verder dat het college het LBB advies had moeten vragen ten aanzien van verzoekster. In elk geval kunnen de bezwaren tegen [naam vergunninghouder] met deze stand van zaken niet aan verzoekster worden tegengeworpen.
12. Op grond van het voorgaande en na afweging van alle betrokken belangen, komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat er aanleiding is tot het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en schorst het bestreden besluit
voor zover daarbij de bij het primaire besluit verleende omgevingsvergunning is herroepen en alsnog geweigerd.
13. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, dient het college aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht te vergoeden.
14. De voorzieningenrechter veroordeelt het college in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift om een voorlopige voorziening, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512, en wegingsfactor 1).