ECLI:NL:RBZWB:2019:3522
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Kinderrechter verklaart zich onbevoegd wegens gewone verblijfplaats minderjarigen in België
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank Zeeland-West-Brabant om een ondertoezichtstelling van twee minderjarigen, die formeel nog in Nederland stonden ingeschreven en naar school gingen, maar feitelijk in België verbleven bij hun vader. De ouders oefenden gezamenlijk het gezag uit en waren het eens over het verblijf in België.
De kinderrechter oordeelde op basis van artikel 8 Brussel Pro II bis-verordening dat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen bepalend is voor de internationale bevoegdheid. Hoewel de minderjarigen een band met Nederland hebben door school en moeder, woonden zij sinds maart 2019 onbepaalde tijd in België, spreken Vlaams, hebben familie en vrienden daar en bezitten de Belgische nationaliteit.
De kinderrechter concludeerde dat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in België ligt en verklaarde zich daarom onbevoegd om het verzoek tot ondertoezichtstelling te behandelen. De Raad werd verwezen naar de bevoegde Belgische rechter via de centrale autoriteit. De beschikking werd op 18 juli 2019 mondeling gegeven en schriftelijk vastgesteld op 25 juli 2019.
Uitkomst: De kinderrechter verklaart zich onbevoegd vanwege de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in België.