Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 10 september 2019 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam verzoekers], gevestigd te [vestigingsplaats verzoekers], verzoekster,
Procesverloop
Overwegingen
2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende gebleken van een spoedeisend belang van verzoekster bij het treffen van een voorlopige voorziening. Niet alleen beschikt vergunninghoudster over een in werking getreden omgevingsvergunning voor het kappen van de boom, zodat de boom daadwerkelijk kan worden gekapt. Het kappen van de boom is naar zijn aard onomkeerbaar.
Ter zitting is door de gemachtigde van het college erkend dat toetsing van de aanvraag aan het bestemmingsplan achterwege is gebleven. Dat betekent dat – in bezwaar – alsnog zal moeten worden beoordeeld of de omgevingsvergunning in stand kan blijven. Nu het college heeft nagelaten die toetsing te verrichten, is er voldoende grond om de vergunning te schorsen.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, dient het college aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- schorst bij wijze van voorlopige voorziening het bestreden besluit tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de boom (leilinde) op de Houtse Heuvel 14 te Den Hout die het dichtst bij het pand van vergunninghoudster is gelegen niet gekapt mag worden, tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345,- aan verzoekster te vergoeden.