Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 15 oktober 2019 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser 3] en [eiser 4], te [plaatsnaam],
[eiser 5], te [plaatsnaam],
Procesverloop
Overwegingen
al dan nietbinnen het gemeentelijk beleid past en voorzover dit project niet strijdig is met provinciaal- en rijksbeleid. De rechtbank is van oordeel dat die categorie dermate ruim en algemeen is geformuleerd dat, gelet op de reikwijdte daarvan, het college in wezen de vrije hand is gelaten om van ruimtelijke plannen vastgesteld door de gemeenteraad af te wijken. Weliswaar is in het raadsbesluit daaraan de voorwaarde gekoppeld dat van elk voorgenomen besluit via het bestuurlijk informatiesysteem mededeling wordt gedaan aan de leden van de gemeenteraad (en aan de leden van de commissie Fysieke Infrastructuur), en kunnen raadsleden kenbaar maken dat het voorgenomen besluit ter advisering aan de commissie Fysieke Infrastructuur moet worden voorgelegd, maar dat kan naar het oordeel van de rechtbank – in lijn met de door eiser 4 aangehaalde uitspraak van de AbRS van 12 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1889) – niet worden beschouwd als het aanwijzen van een categorie van gevallen als bedoeld in artikel 6.5, derde lid, van het Bor. Artikel 6.5, derde lid, van het Bor veronderstelt immers dat één of meer
concretecategorieën van gevallen worden aangewezen. Nu dat in het raadsbesluit van 3 juni 2010 niet is gebeurd, is dit besluit in zoverre onverbindend.
Beslissing
- verklaart de beroepen van eisers 1, 2 en 3 ongegrond;
- verklaart het beroep van eiser 4 gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 170,= aan eiser 4 te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser 4 tot een bedrag van € 1.024,=.