ECLI:NL:RBZWB:2019:4855
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot opheffing scheiding van tafel en bed wegens ontbreken verzoening
Partijen zijn in 2006 gehuwd en in 2017 is door de rechtbank de scheiding van tafel en bed uitgesproken en ingeschreven in het huwelijksgoederenregister.
Partijen verzochten de rechtbank om de scheiding van tafel en bed op te heffen, kennelijk op grond van artikel 1:176 lid 1 BW Pro. De rechtbank stelt vast dat voor het beëindigen van een scheiding van tafel en bed geen rechterlijke uitspraak nodig is, maar een gezamenlijke verklaring van verzoening en inschrijving in het huwelijksgoederenregister.
Omdat partijen geen verzoening hebben gesteld of anderszins aannemelijk gemaakt, kan de rechtbank het verzoek niet toewijzen. Ook een lastgeving aan de griffier om de inschrijving te verrichten is niet mogelijk zonder die verklaring.
De rechtbank wijst het verzoek daarom af en benadrukt dat alleen een gezamenlijke verklaring van verzoening kan leiden tot beëindiging van de scheiding van tafel en bed.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van de scheiding van tafel en bed wordt afgewezen wegens het ontbreken van een gestelde verzoening.