Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2019:4855

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 november 2019
Publicatiedatum
7 november 2019
Zaaknummer
C/02/364073 / FA RK 19-5171
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:176 BWArt. 1:116 BWArt. 1 lid 3 Besluit Huwelijksgoederenregister 1969
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot opheffing scheiding van tafel en bed wegens ontbreken verzoening

Partijen zijn in 2006 gehuwd en in 2017 is door de rechtbank de scheiding van tafel en bed uitgesproken en ingeschreven in het huwelijksgoederenregister.

Partijen verzochten de rechtbank om de scheiding van tafel en bed op te heffen, kennelijk op grond van artikel 1:176 lid 1 BW Pro. De rechtbank stelt vast dat voor het beëindigen van een scheiding van tafel en bed geen rechterlijke uitspraak nodig is, maar een gezamenlijke verklaring van verzoening en inschrijving in het huwelijksgoederenregister.

Omdat partijen geen verzoening hebben gesteld of anderszins aannemelijk gemaakt, kan de rechtbank het verzoek niet toewijzen. Ook een lastgeving aan de griffier om de inschrijving te verrichten is niet mogelijk zonder die verklaring.

De rechtbank wijst het verzoek daarom af en benadrukt dat alleen een gezamenlijke verklaring van verzoening kan leiden tot beëindiging van de scheiding van tafel en bed.

Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van de scheiding van tafel en bed wordt afgewezen wegens het ontbreken van een gestelde verzoening.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
zaak/rekestnr: C/02/364073 / FA RK 19-5171
beschikking d.d. 7 november 2019
in de zaak van
[verzoeker](hierna: de man),
en
[verzoekster] ,
blijkens de beschikking betreffende de scheiding van tafel en bed in de huwelijksakte genoemd: [verzoekster] (hierna: de vrouw),
beiden uitdrukkelijk domicilie kiezende ten kantore van hun advocaat,
verzoekers,
advocaat: mr. R.A. Remport Urban te Bergen op Zoom.

1.1. Het procesverloop

De rechtbank oordeelt op grond van het navolgende stuk:
- het gemeenschappelijk verzoek tot opheffing scheiding van tafel en bed ex art. 1:176 BW Pro, met bijlage, gedagtekend op 5 september 2017 en ter griffie van de rechtbank ingekomen op 11 oktober 2019.

2.2. De feiten

2.1.
Partijen zijn op 15 september 2006 te [plaats] gehuwd.
2.2.
Bij beschikking van 16 februari 2017 van deze rechtbank - ingeschreven in het huwelijksgoederenregister op 5 april 2017 - is de scheiding van tafel en bed in het huwelijk van partijen uitgesproken.

3.Het verzoek en de beoordeling

3.1.
Verzocht wordt om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, tussen partijen de scheiding van tafel en bed op te heffen.
3.2.
Het verzoek is, gelet op de aanhef ervan, kennelijk gebaseerd op artikel 1:176 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). In dat artikel is bepaald dat een scheiding van tafel en bed eindigt (a) door verzoening van de echtgenoten, (b) op het tijdstip dat zij op hun eensluidend verzoek in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 1:116 BW Pro, hebben doen inschrijven dat de scheiding heeft opgehouden te bestaan.
3.3.
Waar partijen de rechtbank verzoeken de scheiding van tafel en bed “op te heffen”, veronderstellen zij kennelijk dat voor de beëindiging van hun scheiding van tafel en bed een rechterlijke beslissing vereist is. Dat is echter niet zo; in zoverre moet het verzoek worden afgewezen. Voor de beëindiging van een scheiding van tafel en bed is enkel de inschrijving ervan in het huwelijksgoederenregister vereist. Uit artikel 1, lid 3 van het Besluit Huwelijksgoederenregister 1969 volgt dat ter verkrijging van die inschrijving de echtgenoten (gezamenlijk) dienen te verklaren dat de scheiding van tafel en bed door verzoening heeft opgehouden te bestaan en dat de griffier van die verklaring een akte opmaakt, die de echtgenoten in persoon of bij gevolmachtigde ondertekenen.
3.4.
Voor zover partijen hebben bedoeld de rechtbank te verzoeken de griffier te gelasten de onder 3.4 bedoeld inschrijving te verrichten, kan het verzoek evenmin worden toegewezen. Voor die inschrijving is een dergelijke last niet nodig. Wel is voor die inschrijving onder meer nodig dat partijen gezamenlijk verklaren dat de scheiding van tafel en bed “door verzoening” is geëindigd. Aan (het bestaan van) die verzoening worden in voornoemd wetsartikel geen vormvereisten gesteld, maar dát sprake is van een verzoening zal wel moeten worden gesteld, of anderszins moeten blijken. In het verzoekschrift is evenwel omtrent een verzoening niets gesteld. Het verzoek kan dan ook niet worden gezien als een verklaring van partijen dat de scheiding van tafel en bed door verzoening heeft opgehouden te bestaan, en is aldus onvoldoende om als basis te gelden voor de door de griffier ter zake op te maken akte.
3.5.
Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het verzoek afwijzen.

4.De beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.M.J. van Dijk, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2019 in tegenwoordigheid van S. de Visser, griffier.
AV
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, kan – uitsluitend door een advocaat – hoger beroep tegen deze beschikking worden ingesteld, zulks door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, en door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.