Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verloop van het geding
2.Het geschil
- [gedaagde] te veroordelen tot – kort gezegd – ontruiming van het gehuurde binnen zeven dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis en te verlaten en de sleutels ter vrije beschikking aan [eiseres] te stellen, met machtiging van [eiseres] om zo [gedaagde] daarmee in gebreke mocht blijven, deze ontruiming zelf op kosten van [gedaagde] te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de sterke arm.;
- [gedaagde] te veroordelen tot betaling van:
3.De beoordeling
- [gedaagde] huurt sinds 11 maart 2019 van [eiseres] een unit (nader te noemen het gehuurde), in het pand aan de [adres 2] dat bekend staat als de [eiseres] te [woonplaats] , ten behoeve van het restaurant van [gedaagde] .
- De huur bedraagt thans op jaarbasis een bedrag van € 14.293,51, zijnde een bedrag van € 1.191,12 per maand. Naast dit vaste deel aan huur, bestaat de huur uit een variabel deel, te weten 5,5% van de door huurder gerealiseerde omzet uit eten en 9% van de door huurder gerealiseerde omzet uit dranken.
- Partijen hebben in de huurovereenkomst openingstijden afgesproken, waarop de huurder verplicht is om in ieder geval op die tijden open te zijn.