ECLI:NL:RBZWB:2019:511

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 februari 2019
Publicatiedatum
8 februari 2019
Zaaknummer
C/02/354050 / FA RK 19-290
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:176 lid 1 BWArt. 1:116 BWArt. 1, lid 3 Besluit Huwelijksgoederenregister 1969
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging scheiding van tafel en bed door verzoening en inschrijving in huwelijksgoederenregister

Partijen, gehuwd in gemeenschap van goederen sinds 1 maart 2010, waren gescheiden van tafel en bed verklaard bij beschikking van 6 april 2016. Inmiddels zijn zij weer samen en woonachtig op hetzelfde adres. Zij hebben gezamenlijk verzocht om de beëindiging van de scheiding van tafel en bed door verzoening in te schrijven in het huwelijksgoederenregister.

De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 1:176 lid 1 BW Pro de scheiding van tafel en bed eindigt door verzoening van de echtgenoten, waarbij geen rechterlijke uitspraak vereist is. Wel is inschrijving in het huwelijksgoederenregister noodzakelijk. Volgens artikel 1, lid 3 van het Besluit Huwelijksgoederenregister 1969 moeten de echtgenoten verklaren dat de scheiding is opgehouden te bestaan, waarna de griffier hiervan een akte opmaakt.

De rechtbank begrijpt het verzoek als een schriftelijke verklaring van partijen, via hun gemachtigde advocaat, dat de scheiding is opgehouden te bestaan en gelast de griffier deze verzoening in te schrijven. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen. De beschikking is op 8 februari 2019 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank gelast de griffier de beëindiging van de scheiding van tafel en bed door verzoening in te schrijven in het huwelijksgoederenregister.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
zaak/rekestnr: C/02/354050 / FA RK 19-290
beschikking d.d. 8 februari 2019
in de zaak van
[verzoekster](hierna: de vrouw),
en
[verzoeker](hierna: de man),
beiden wonende te [plaats] ,
verzoekers,
advocaat: mr. C.L. de Koeijer te Terneuzen.

1.1. Het procesverloop

De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 27 december 2018 ingekomen gemeenschappelijk verzoek tot verzoening, met producties.

2.2. De feiten

2.1.
Partijen zijn op 1 maart 2010 te [plaats] in gemeenschap van goederen gehuwd.
2.2.
Bij beschikking van 6 april 2016 van deze rechtbank – ingeschreven in het huwelijksgoederenregister op 21 oktober 2016 – is de scheiding van tafel en bed in het huwelijk van partijen uitgesproken.
2.3.
Partijen hebben zich inmiddels verzoend en zijn thans woonachtig op hetzelfde adres.

3.Het verzoek en de beoordeling

3.1.
Partijen verzoeken de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat de scheiding tussen partijen heeft opgehouden te bestaan;
II. de verzoening in te schrijven in het huwelijksgoederenregister;
3.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Het verzoek van partijen is – kennelijk – gebaseerd op artikel 1:176 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW), waarin is bepaald dat een scheiding van tafel en bed eindigt door verzoening van de echtgenoten, op het tijdstip dat zij op hun eensluidend verzoek in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 1:116 BW Pro, hebben doen inschrijven dat de scheiding heeft opgehouden te bestaan. De verzoening op zichzelf is ‘vormvrij’; een rechterlijke uitspraak dat de scheiding tussen partijen heeft opgehouden te bestaan, is dus niet nodig. Vereist voor de beëindiging van de scheiding van tafel en bed door verzoening is wel de inschrijving daarvan in het huwelijksgoederenregister. Uit artikel 1, lid 3 van het Besluit Huwelijksgoederenregister 1969 volgt dat ter verkrijging van die inschrijving de echtgenoten dienen te verklaren dat de scheiding van tafel en bed door verzoening heeft opgehouden te bestaan en dat de griffier van die verklaring een akte opmaakt, die de echtgenoten in persoon of bij gevolmachtigde ondertekenen.
3.3.
De rechtbank ziet aanleiding het verzoek van partijen aldus te begrijpen dat zij daarmee – middels de door hen daartoe gemachtigde advocaat, die het verzoek heeft ondertekend – schriftelijk verklaren dat de scheiding van tafel en bed door verzoening heeft opgehouden te bestaan (waarmee het verzoek is gelijk te stellen met de blijkens artikel 1, lid 3 van het Huwelijksgoederenregister vereiste akte), en voorts eensluidend verzoeken zulks in het huwelijksgoederenregister in te schrijven als bedoeld in artikel 1:176, lid 1 BW. De rechtbank zal dan ook de griffier gelasten in het huwelijksgoederenregister in te schrijven dat de scheiding van tafel en bed in het huwelijk van partijen heeft opgehouden te bestaan. Hetgeen meer of anders is verzocht, zal worden afgewezen.

4.De beslissing

De rechtbank:
gelast de griffier in het huwelijksgoederenregister in te schrijven dat de scheiding van tafel en bed in het huwelijk van partijen door verzoening heeft opgehouden te bestaan;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.M.J. van Dijk, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2019 in tegenwoordigheid van mr. S.P. Vliegenthart, griffier.
SV