Uitspraak
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De benadeelde partijen
6.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan de onder 1, 2 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde feiten;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde de zaak tegen een Belgische verdachte die werd verdacht van betrokkenheid bij een schietincident op 14 oktober 2015 in een vakantiehuisje te Hooge Zwaluwe, waarbij twee personen om het leven kwamen. De verdachte werd onder meer beschuldigd van moord en poging daartoe.
Tijdens de zittingen, waarbij de verdachte niet persoonlijk aanwezig was maar zijn raadsman wel, werd vastgesteld dat de verdachte op 13 oktober 2015 wel aanwezig was in het vakantiehuisje, wat verklaart waarom zijn DNA op een sigarettenpeuk in het huisje werd gevonden. Echter, op de dag van het incident zelf kon de verdachte volgens verklaringen van getuigen en camerabeelden worden geplaatst bij een andere locatie te Made, waar hij achterbleef terwijl anderen naar het vakantiehuisje gingen.
De officier van justitie en de verdediging waren het erover eens dat er onvoldoende bewijs was om de verdachte te verbinden aan het schietincident op 14 oktober 2015. De rechtbank concludeerde dat het wettige en overtuigende bewijs ontbrak om te bewijzen dat de verdachte aanwezig was bij het schietincident en sprak hem vrij van alle tenlastegelegde feiten.
De benadeelde partijen werden niet-ontvankelijk verklaard in hun schadevorderingen vanwege de vrijspraak. De rechtbank veroordeelde hen tevens in de kosten van de verdediging, die nihil werden begroot.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van bewijs dat hij aanwezig was bij het schietincident op 14 oktober 2015.