ECLI:NL:RBZWB:2019:5334

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 november 2019
Publicatiedatum
28 november 2019
Zaaknummer
BRE 17_3384
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 HabitatrichtlijnArt. 2.8 WnbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vergunning veehouderij vanwege strijd met Habitatrichtlijn en PAS

Het college van Gedeputeerde Staten van Zeeland verleende op 16 maart 2017 een vergunning aan een veehouderij voor exploitatie en wijziging van dierbezetting. De eisers stelden beroep in tegen dit besluit omdat de vergunning was verleend op basis van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) en de daarbij behorende passende beoordeling.

De rechtbank oordeelde na vereenvoudigde behandeling dat het PAS en de passende beoordeling niet voldoen aan artikel 6 van Pro de Habitatrichtlijn, zoals eerder vastgesteld door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in mei 2019. Hierdoor kon de vergunning niet op deze gronden worden verleend en is het besluit in strijd met artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming.

De rechtbank verklaarde het beroep kennelijk gegrond, vernietigde het bestreden besluit en legde aan verweerder op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van eisers.

De uitspraak benadrukt dat bij het nieuwe besluit een passende beoordeling opnieuw moet worden uitgevoerd en dat de eerdere procedure niet kan worden hergebruikt. Verweerder moet een ontwerpbesluit opstellen en ter inzage leggen volgens de wettelijke vereisten.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de vergunning omdat de passende beoordeling van het PAS niet voldoet aan artikel 6 van de Habitatrichtlijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 17/3384 WABOM

uitspraak van 27 november 2019 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

1. [naam coöperatie]te [plaatsnaam],
2. [naam vereniging]te [plaatsnaam],
gemachtigde: mr. V. Wösten,
tezamen, eisers,
en

het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Zeeland, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:
[naam vergunninghouder],[plaatsnaam2], vergunninghouder
gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij.

Procesverloop

Bij besluit van 16 maart 2017 heeft verweerder een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) verleend aan [naam vergunninghouder], [plaatsnaam2], voor de exploitatie en wijziging van de dierbezetting binnen een agrarische inrichting annex veehouderij. Tegen dit besluit (verder: het bestreden besluit) hebben eisers beroep ingesteld.

Overwegingen

1. De rechtbank doet na vereenvoudigde behandeling op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.
2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit vergunning verleend voor een veehouderij die stikstofdepositie veroorzaakt op stikstofgevoelige natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. Verweerder heeft daarbij toepassing gegeven aan het Programma Aanpak Stikstof 2015-2021 (hierna: het PAS) en de daarbij behorende regelgeving die vanaf 1 juli 2015 van kracht is. De vergunning kan volgens verweerder worden verleend onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is opgesteld. Met de toepassing en uitvoering van het PAS is volgens verweerder gewaarborgd dat de stikstofdepositie die de veehouderij zal veroorzaken niet zal leiden tot een aantasting van de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden.
3. De strekking van het beroep is -kort gezegd- dat de vergunning niet kon worden verleend onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is gemaakt, omdat de passende beoordeling en het PAS niet voldoen aan artikel 6 van Pro de Habitatrichtlijn.
4. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraken van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603 en ECLI:NL:RVS:2019:1604, geoordeeld dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die uit artikel 6 van Pro de Habitatrichtlijn voortvloeien.
5. Dit betekent dat verweerder de vergunning voor de veehouderij niet kon verlenen onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is gemaakt. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 2.8 van de Wnb. Omdat deze beroepsgrond slaagt, hoeven de overige beroepsgronden niet meer te worden besproken.
6.
Het beroep is kennelijk gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.
7. Verweerder zal een nieuw besluit op de aanvraag van vergunninghouder moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Uit de hiervoor genoemde uitspraken van de Afdeling van 29 mei 2019 volgt dat verweerder de gevolgen van de aangevraagde activiteit opnieuw in kaart moet brengen en alsnog moet beoordelen of een passende beoordeling is vereist. Verweerder kan voor het alsnog te nemen besluit op de aanvraag niet terugvallen op de eerder gevoerde procedure. Verweerder moet eerst een ontwerpbesluit opstellen en ter inzage leggen.
8.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.
9.
De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 512,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333 aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 512.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzitter, mr. G.M.J. Kok en mr. R.A. Karsten-Badal, leden, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 november 2019.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.