Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
- het tussenvonnis van 10 juli 2019 en de daarin vermelde stukken;
- het proces-verbaal van de regiezitting van 12 november 2019.
2.De feiten
3.Het geschil in conventie en in reconventie
conventie,
Afgifte bescheiden:
Ter zake de afwikkeling van de huwelijksvermogensrechtelijke betrekkingen:
de rechtbank neemt aan dat hier bedoeld is: samenstelling) van de eenvoudige gemeenschappen 22 februari 2016 heeft gelden, terwijl als peildatum voor de waardering van de eenvoudige gemeenschap de datum feitelijke verdeling heeft te gelden;
Proceskosten
in reconventie,
4.De beoordeling
van de aanvang afde bepalingen van Boek 3 titel 7 afdeling 1 BW, derhalve
nietde bepalingen van boek 1 BW. Naar het oordeel van de rechtbank brengt dit mee dat ook van analoge toepassing van artikel 1:99 lid 3 BW Pro geen sprake kan zijn. Van een ‘ontbinding’ is bij een eenvoudige gemeenschap geen sprake.
4 november 2017en wat de omvang en samenstelling toen was.
waardevan een eenvoudige gemeenschap worden uitgegaan van de waarde die deze heeft ten tijde van de verdeling, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen of de eisen van de redelijkheid en billijkheid anders met zich brengen.
in overlegniet samenwonen.
28 januari 2015aan als de datum waarop de verrekenplicht is geëindigd en daarmee als de peildatum voor de samenstelling en waarde van het te verrekenen vermogen.
18 december 2019een conclusie van antwoord in reconventie te nemen tevens akte in conventie (indien gewenst), waarin zij tevens ingaat op hetgeen in de eerste zin van deze rechtsoverweging is aangegeven.
8 januari 2020een antwoordakte te nemen, waarin zij ook nader kan ingaan op hetgeen is overwogen in de eerste zin van rechtsoverweging 4.20.
nietworden toegestaan.
22 januari 2020 om 10.00 uuren in beginsel tot 13.00 uur duren.