Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft over de jaren 1991 tot en met 2000 belastingaanslagen ontvangen vanwege verzwegen buitenlandse bankrekeningen. Na onherroepelijke uitspraken van het gerechtshof en Hoge Raad heeft belanghebbende de openstaande bedragen eind 2013 voldaan. Vervolgens heeft de Belastingdienst invorderingsrente van €633.519 in rekening gebracht wegens te late betaling.
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de invorderingsrente en voerde aan dat sprake was van een uitzonderlijke situatie, het evenredigheidsbeginsel, schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en strijd met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. De rechtbank oordeelde dat de invorderingsrente terecht is berekend ter compensatie van het rentenadeel van de Staat en dat belanghebbende zelf de keuze heeft gemaakt niet tijdig te betalen.
Het beroep op vermindering van de invorderingsrente op grond van de Leidraad Invordering 2008 faalde omdat niet was voldaan aan de voorwaarden. Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel werd verworpen vanwege gebrek aan onderbouwing en eigen schuld van belanghebbende. Het beroep op artikel 1 EP Pro werd eveneens ongegrond verklaard omdat belanghebbende onvoldoende inzicht gaf in zijn financiële situatie.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door rechter B.F.A. van Huijgevoort op 24 december 2019 in Breda.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de invorderingsrente en verklaart het beroep ongegrond.