De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 24 december 2019 de zaak tegen een 67-jarige verdachte die werd beschuldigd van ontuchtige handelingen met twee minderjarige stiefkinderen in de periode 1997-1999. De officier van justitie achtte de aangiftes betrouwbaar en meende dat het bewijsminimum was gehaald, mede door onderlinge ondersteuning van de verklaringen en getuigenverklaringen.
De verdediging betoogde dat het enkel het woord van de slachtoffers was tegen dat van verdachte, die ontkende, en dat er geen aanvullend bewijs was om de aangiftes te ondersteunen. De rechtbank oordeelde dat hoewel de verklaringen van de slachtoffers betrouwbaar en geloofwaardig waren, zij onvoldoende steun vonden in ander bewijsmateriaal. De verklaringen van getuigen waren gebaseerd op de verklaringen van de slachtoffers zelf en konden daarom niet als onafhankelijk steunbewijs dienen.
De rechtbank overwoog dat de aangiftes elkaar niet voldoende wezenlijk ondersteunen en dat er geen kenmerkende gelijkenissen waren die konden wijzen op een gelijke modus operandi. Hierdoor werd niet voldaan aan het bewijsminimum zoals vereist in zedenzaken. De rechtbank sprak verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten. De benadeelde partijen werden niet-ontvankelijk verklaard in hun schadevorderingen en verwezen naar de burgerlijke rechter.