ECLI:NL:RBZWB:2019:6083
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Kort geding
- mr. Prenger
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid voorzieningenrechter bij geschil over gewone verblijfplaats en teruggeleiding minderjarigen
In deze kort geding procedure vordert de vrouw dat de man de woon- en verblijfplaats van de minderjarigen niet wijzigt, dat de kinderen aan haar worden toegeleverd en dat de man een dwangsom betaalt bij niet-naleving. De man bestrijdt deze vorderingen.
De voorzieningenrechter onderzoekt allereerst zijn bevoegdheid op grond van de Verordening Brussel II-bis en het Haags Kinderontvoeringsverdrag (HKOV). Uit feiten en omstandigheden blijkt dat de minderjarigen sinds april 2018 feitelijk in Nederland verblijven, hier naar school gaan en sociale banden hebben opgebouwd. De gewone verblijfplaats van de kinderen is daarom Nederland, waardoor de Nederlandse rechter bevoegd is voor gezagsvoorzieningen.
De vrouw baseert haar vordering tot afgifte van de kinderen aan haar op Brussel II-bis, maar de voorzieningenrechter stelt dat de vordering ook onder het HKOV valt. Volgens de Uitvoeringswet Internationale Kindontvoering is alleen de kinderrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage bevoegd voor gedwongen afgifte en teruggeleiding van internationaal ontvoerde kinderen. Daarom verklaart de voorzieningenrechter zich onbevoegd voor deze vordering.
Gezien de samenhang tussen de vorderingen wijst de voorzieningenrechter de overige vorderingen af en compenseert de proceskosten, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De beslissing is mondeling gegeven op 18 december 2019 en schriftelijk bevestigd op 24 december 2019.
Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af en verklaart zich onbevoegd voor de teruggeleiding van de kinderen.