Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
mr. B.W. van Eeken-Liu, griffier.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende is eigenaar van een opslagruimte van 225 m2 in een bedrijfsverzamelgebouw zonder kantoorruimte. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van het pand per 1 januari 2016 vast op €100.000, waartegen belanghebbende bezwaar maakte en een lagere waarde tussen €73.000 en €77.000 verdedigde.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar de waardering aannemelijk heeft gemaakt met een taxatierapport waarin de vergelijkingsmethode is toegepast. Hierbij werden vier vergelijkingsobjecten, eveneens opslagruimten met kantoorruimte, gebruikt. De verschillen in perceelgrootte en kantoorruimte zijn door de heffingsambtenaar voldoende gecompenseerd in de waardeberekening.
Belanghebbende stelde dat de huurwaardekapitalisatiemethode meer passend was, maar de rechtbank verwierp dit omdat de heffingsambtenaar de vergelijkingsmethode terecht heeft toegepast en de waarde in het economische verkeer correct is bepaald. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de aanslag onroerende-zaakbelastingen eigenaren (OZBE).
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van €100.000 bevestigd.