De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 1 oktober 2019 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het bezit en vervaardigen van amfetamine en MDMA, alsmede het bezit van hennep. De tenlastelegging omvatte drie feiten: het aanwezig hebben van grote hoeveelheden MDMA en amfetamine-olie op een bedrijventerrein en in een schuur bij de woning van verdachte, medeplichtigheid aan de vervaardiging van amfetamine, en het bezit van circa 28 gram hennep.
De officier van justitie achtte het bezit van de drugs en medeplichtigheid wettig en overtuigend bewezen, behalve voor het bezit op het bedrijventerrein, waar vrijspraak werd gevraagd. De verdediging betoogde dat verdachte geen kennis had van de drugsactiviteiten en geen actieve rol had, met verwijzing naar verklaringen van familieleden en het ontbreken van DNA-sporen.
De rechtbank oordeelde dat onvoldoende bewijs bestond dat verdachte wist van de drugs in de schuur en op het bedrijventerrein en sprak verdachte vrij van de feiten 1 en 2. Wel werd feit 3, het bezit van minder dan 30 gram hennep, bewezen geacht op basis van een bekennende verklaring en het onderzoek van de hennep. Verdachte werd veroordeeld tot een geldboete van €75,-, subsidiair één dag hechtenis.