Belanghebbende, een zelfstandig trouwambtenaar en ceremoniespreker, betwist de heffing van 21% omzetbelasting over haar diensten en stelt dat het verlaagde tarief van 6% van toepassing is omdat haar diensten een artistieke prestatie vormen. De inspecteur wees het bezwaar af, stellende dat de diensten niet kwalificeren als optreden van een uitvoerend kunstenaar en dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een artistieke prestatie.
De rechtbank beoordeelt dat de diensten van belanghebbende meerdere taken omvatten en niet louter een artistieke prestatie zijn. De vergelijking met een Master of Ceremony wordt verworpen omdat de diensten voornamelijk gericht zijn op het bruidspaar en niet op het vermaken van een publiek. Tevens wordt het beroep op het gelijkheidsbeginsel afgewezen wegens onvoldoende bewijs van ongelijke behandeling.
Verder verklaart de rechtbank zich onbevoegd ten aanzien van het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve teruggaaf over de jaren 2013 tot en met 2016, omdat dit niet voor bezwaar vatbare beschikkingen betreft. Het beroep wordt voor het tweede kwartaal 2017 ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.