Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende sloot in 1994 een lijfrenteproduct af met een eenmalige premieaftrek. In 2015 koos zij voor een eenmalige uitkering van de lijfrente in plaats van periodieke uitkeringen. De inspecteur bracht daarop revisierente in rekening omdat de voorwaarden voor premieaftrek niet waren nageleefd.
Belanghebbende betwistte de toepassing van de revisierente niet, maar vond de uitkomst onbillijk. De rechtbank oordeelde dat de revisierente een correctie is op de onterecht genoten premieaftrek en niet bedoeld is om het verschil tussen heffing ineens en periodiek te compenseren.
De inspecteur had geen discretionaire bevoegdheid om de revisierente te verminderen. De rechtbank stelde vast dat de toepassing van de wet overeenkomt met de bedoeling van de wetgever zoals blijkt uit de wetsgeschiedenis.
Daarnaast wees de rechtbank het verzoek om vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat belanghebbende met verlenging had ingestemd en de uitspraak binnen de verlengde termijn is gedaan.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de revisierente terecht is berekend.