De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het beroep tegen het besluit van 28 december 2019 waarbij aan verzoekster een huisverbod werd opgelegd voor tien dagen. Verzoekster betwistte het huisverbod en voerde aan dat er geen gevaar was en dat de belangenafweging pas na oplegging was gemaakt. Verweerder stelde dat het huisverbod terecht was opgelegd vanwege fysiek geweld en dat de situatie waarbij niet verzoekster maar haar partner de woning verliet, bijzondere omstandigheden kende.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het huisverbod aanvankelijk bevoegd was opgelegd vanwege het ernstig vermoeden van onmiddellijk gevaar door verzoeksters agressief gedrag onder invloed van alcohol. Echter, na het huisverbod werd een nieuwe afspraak gemaakt waarbij verzoeksters partner de woning verliet en verzoekster bleef, met instemming van verweerder. Deze gewijzigde situatie had tot herziening van het huisverbod moeten leiden.
Omdat de persoon die het huisverbod krijgt de woning moet verlaten, en verzoekster feitelijk in de woning bleef, was het huisverbod niet meer rechtsgeldig. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit vanaf het moment van instemming met de nieuwe afspraak. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen omdat het beroep gegrond was. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van verzoekster.