Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.de besloten vennootschap GALEPHAR NETHERLANDS B.V.,
LABORATOIRES SMB SA,
A.,
CENTRALE ZIEKTEKOSTENVERZEKERING NZV N.V.,
OHRA ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
HRA ZIEKTEKOSTENVERZEKERINGEN N.V.,
1.De procedure
- de dagvaarding van 4 februari 2020 met producties 1 t/m 23;
- de brieven van mr. Kien van 17 en 24 februari 2020 met aanvullende producties 24 t/m 27
- de conclusie van antwoord zijdens CZ met producties 1 t/m 20;
- de brief van mr. Versteeg van 25 februari 2020 met producties 21 t/m 24;
- de mondelinge behandeling op 26 februari 2020;
2.Het geschil
3.De beoordeling
in beginsel) als ondoelmatig en niet doeltreffend. Wij verwachten van u een actieve deelname in het leveren van kwalitatief goede en doelmatige zorg aan onze haar verzekerden.”.
“De zorg omvat niet: medicijnen waar wij geen voorkeur voor hebben. Zie toelichting op voorkeursgeneesmiddelen in het Reglement Farmacie en onze lijst Voorkeursgeneesmiddelen”.
identiekaan elkaar zijn in de zin van bio-equivalent en dat de uiteenlopende doseringen van cholecalciferol dat niet zijn. CZ zou voor alle sterkten en alle toedieningswegen cholecalciferol een voorkeursmiddel aan moeten wijzen. Door uitsluitend Osferol 30.000 IE en/of Osferol 7.000 IE als doelmatige verstrekking te beschouwen is er sprake van een onaanvaardbare beperking van de aanspraak.
“De aanwijzing door de zorgverzekeraar geschiedt zodanig dat van alle werkzame stoffen die voorkomen in de bij ministeriële regeling aangewezen geneesmiddelen ten minste een geneesmiddel voor de verzekerde beschikbaar is”.
dezelfde”mede “
nagenoeg dezelfde”. CZ betwist niet dat geneesmiddelen die door de minister in eenzelfde GVS cluster zijn geplaatst, een uiteenlopende kwalitatieve en/of kwantitatieve samenstelling kunnen hebben. Met onderlinge vervang-baarheid is dus nog niet iets gezegd over de mogelijkheden van onderlinge uitwisselbaarheid. Om die reden heeft CZ in de productclusters voor vitamine D bevattende geneesmiddelen samengebracht die voor de toepassing van haar aanwijzingsbevoegdheid als onderling uitwisselbaar kunnen worden aangemerkt, omdat op grond van de bereidingsvoorschriften voor deze geneesmiddelen die bij de fabricage in acht dienen te worden genomen, de hoeveelheid werkzame stof moet liggen in een brandbreedte van 90-100% van de sterkte die op het etiket is vermeld. Door de bandbreedte die het gevolg is van het bereidingsvoorschrift zijn de verschillen tussen de geneesmiddelen die voor week- en maanddoseringen zijn toegelaten, niet meer van dien aard dat gezegd kan worden dat zij niet
nagenoeg dezelfde sterktehebben. De teksten van de SmPC’s van de verschillende geneesmiddelen maken bij week- en maanddoseringen geen verschil tussen de sterkte. Ook de KNMP heeft aangegeven geen moeite te hebben met de dosisverschillen. CZ hanteert een flankerend beleid, waaruit blijkt dat de beslissing van de voortschrijvend behandelaar de basis is voor de terhandstelling. CZ treedt op geen enkele wijze in de bevoegdheid van de voorschrijvend behandelaar of de ter hand stellend apotheker als een recept die apotheker geen ruimte laat een ander dan het voorgeschreven geneesmiddel af te leveren. In dat geval is sprake van “medische noodzaak”. Indien een voorschrijver op het recept het geneesmiddel met een bepaalde sterkte, gebruikswijze en dosering aangeeft, dan zal een apotheker alleen aan het preferentiebeleid gebonden zijn als het voorschrift van de behandelend arts valt binnen de door CZ getrokken grenzen.
980,00