ECLI:NL:RBZWB:2020:1238
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Kort geding
- E.J.G. Eijssen-Vruwink
- Rechtspraak.nl
Verwijdering hekwerk en gebruik parkeerterrein gehuurde bedrijfsruimte
In deze kort geding procedure vordert de huurder dat de verhuurder het hekwerk op en om het gehuurde verwijdert, omdat dit de toegang tot het parkeerterrein belemmert. De huurder maakt al sinds het begin van de huurovereenkomst in januari 2018 ongestoord en om niet gebruik van het buitenterrein als parkeerplaats. De verhuurder plaatste echter hekken en stelde voorwaarden voor het gebruik van parkeerplaatsen, waaronder betaling.
De kantonrechter oordeelt dat de huurder een spoedeisend belang heeft vanwege een gepland evenement waarvoor parkeergelegenheid noodzakelijk is. De verhuurder heeft lange tijd gedoogd dat de huurder het terrein gebruikte zonder betaling, waardoor de huurder gerechtvaardigd mocht vertrouwen op het gebruiksrecht. Hoewel het gebruik niet definitief is vastgelegd, kan de verhuurder niet zomaar het gebruik beëindigen zonder voldoende zwaarwegende grond, hetgeen in dit kort geding niet aannemelijk is gemaakt.
De belangenafweging leidt tot de conclusie dat het belang van de huurder bij het gebruik van het parkeerterrein prevaleert boven het belang van de verhuurder bij het plaatsen van hekken. De vordering tot verwijdering van de hekken wordt daarom toegewezen, met een dwangsom van € 25.000 per dag bij niet-naleving. Andere geschilpunten worden verwezen naar een bodemprocedure.
De verhuurder wordt tevens veroordeeld in de proceskosten en nakosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en is op 13 februari 2020 gewezen door de kantonrechter.
Uitkomst: Verhuurder wordt veroordeeld de hekwerken te verwijderen en het parkeerterrein beschikbaar te houden voor de huurder met een dwangsom bij niet-naleving.