Eiser, een politieambtenaar, maakt sinds 2016 gebruik van de Regeling partieel uittreden (RPU) voor 55 jaar en ouder. In het oorspronkelijke toekenningsbesluit werd gesteld dat alle salarisgerelateerde aanspraken, waaronder pensioenopbouw, gelijk zouden blijven. Door beleidswijzigingen van de Belastingdienst en het ABP sinds 2018 bleek dit niet volledig uitvoerbaar, met name voor degenen die langer dan tien jaar gebruikmaken van de RPU.
Eiser maakte bezwaar tegen de salarisspecificatie van november 2018, waarin de verminderde pensioenopbouw met terugwerkende kracht werd verwerkt. De korpschef verklaarde dit bezwaar ongegrond, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank oordeelde dat de korpschef niet het bevoegd gezag is voor pensioen- en fiscale consequenties; dit ligt bij het ABP en de Belastingdienst. De mededeling in het toekenningsbesluit was geen ondubbelzinnige toezegging waarop eiser mocht vertrouwen.
Verder stelde eiser dat de nadelige gevolgen van de gewijzigde wetgeving niet voor zijn rekening mochten komen en dat compensatie door de korpschef moest plaatsvinden. De rechtbank stelde vast dat de korpschef zich heeft ingespannen om de nadelige gevolgen te beperken, maar dat het financiële nadeel door het niet opschorten van de RPU voor rekening van eiser blijft.
De rechtbank concludeerde dat de korpschef niet onrechtmatig heeft gehandeld en wees het beroep en het verzoek om compensatie af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.