De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 25 maart 2020 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van medeplegen van hennepteelt en diefstal van elektriciteit. De hennepkwekerij betrof ongeveer 923 hennepplanten en 420 hennepstekken in een pand te Pijnaart. Verdachte gaf toe werkzaamheden te hebben verricht in de kwekerij, maar ontkende betrokkenheid bij de diefstal van elektriciteit.
De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte medepleger was van het aanwezig hebben van de hennepplanten en -stekken, maar onvoldoende bewijs was er voor het telen, bereiden en verwerken van hennep. Verdachte werd vrijgesproken van de diefstal van elektriciteit wegens gebrek aan bewijs van betrokkenheid.
De strafoplegging hield rekening met de overschrijding van de redelijke termijn, het ontbreken van eerdere soortgelijke veroordelingen en de ondergeschikte rol van verdachte. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 33 dagen op, waarvan 30 voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding omdat verdachte van het diefstalfeit was vrijgesproken.