Eiseres was werkzaam als servicecoördinator en viel uit vanwege een burn-out en zwangerschapsklachten. Na beëindiging van het dienstverband ontving zij aanvankelijk een Ziektewet-uitkering wegens zwangerschaps- en bevallingsklachten tot 3 juni 2019. Het UWV weigerde vervolgens een Ziektewet-uitkering toe te kennen vanaf die datum op grond van arbeidsongeschiktheid door zwangerschap. Eiseres maakte bezwaar, dat werd afgewezen, waarna zij beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank beoordeelde of het UWV terecht heeft geweigerd de Ziektewet-uitkering toe te kennen op basis van zwangerschap of bevalling. Medische rapportages van een sociaal medisch verpleegkundige en een verzekeringsarts b&b concludeerden dat eiseres arbeidsongeschikt was voor haar eigen werk door psychische klachten, maar niet als gevolg van zwangerschap of bevalling. De buikklachten waren onvoldoende belastend voor het voornamelijk zittende werk.
Eiseres stelde dat zij door de keizersnede en buikpijn niet kon zitten en daardoor haar werk niet kon verrichten. De rechtbank vond deze stelling onvoldoende onderbouwd met medische stukken. De rapportages en het dagverhaal wezen erop dat zij in staat was tot afwisseling van zitten, staan en lopen, waardoor zij haar werk kon verrichten.
De rechtbank oordeelde dat het UWV op goede gronden heeft geweigerd de Ziektewet-uitkering toe te kennen op basis van arbeidsongeschiktheid door zwangerschap of bevalling. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.