Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Feiten
2.Wettelijk kader
3.Omvang geschil
4.Beoordeling
.
5.Proceskosten
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser vroeg een uitkering aan bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven vanwege het overlijden van zijn broer, die in 2007 bij een brand om het leven kwam en vermoedelijk slachtoffer was van een opzettelijk geweldsmisdrijf. Het Schadefonds wees de aanvraag af omdat de aanleiding, toedracht en omstandigheden van het misdrijf onvoldoende duidelijk waren en het niet kon worden uitgesloten dat de broer een eigen aandeel had, gezien zijn vermeende betrokkenheid bij drugshandel.
Eiser maakte bezwaar tegen deze afwijzing, stellende dat zijn broer geen drugsdealer was en dat er geen bewijs was dat het overlijden verband hield met drugshandel. Het Schadefonds handhaafde het besluit op basis van informatie van politie en Openbaar Ministerie, waarbij het onderzoeksbelang verdere informatie verhinderde.
De rechtbank oordeelde dat het Schadefonds zijn discretionaire bevoegdheid niet onredelijk had uitgeoefend en dat het beleid van het Schadefonds, hoewel de verkeerde beleidsbundel was toegepast, niet benadelend was voor eiser. De rechtbank vond dat het Schadefonds terecht aannam dat de toedracht onvoldoende duidelijk was en dat het niet kon worden uitgesloten dat de broer een eigen aandeel had, waardoor de afwijzing gerechtvaardigd was.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de uitkering uit het Schadefonds wordt ongegrond verklaard.