ECLI:NL:RBZWB:2020:1504
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen beëindiging WIA-uitkering
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om haar WIA-uitkering te beëindigen per 17 november 2019, met betaling verlengd tot 17 maart 2020. Zij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de uitkering te schorsen, stellende dat zij geen inkomsten heeft en de gezinsinkomsten onvoldoende zijn voor het levensonderhoud.
De voorzieningenrechter heeft ambtshalve het spoedeisend belang onderzocht en geconcludeerd dat ondanks een beperkt bedrag van €42,56 per maand na aftrek van vaste lasten, er geen sprake is van financiële nood die onmiddellijke schorsing rechtvaardigt. Verzoekster kon het tekort tijdelijk opvangen door aanpassing van het uitgavenpatroon.
Omdat verzoekster geen bewijsstukken over spaargelden of andere vermogensbestanddelen heeft overgelegd, kon geen volledig financieel beeld worden gevormd. De voorzieningenrechter achtte het verzoek daarom ongegrond en wees de voorlopige voorziening af. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de beëindiging van de WIA-uitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.