ECLI:NL:RBZWB:2020:1642
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen beëindiging Ziektewetuitkering door UWV
Eiser, een 39-jarige man die als gastheer/beveiliger werkte, meldde zich in september 2016 arbeidsongeschikt vanwege psychische en fysieke klachten. Het UWV kende hem een Ziektewetuitkering toe vanaf december 2016, maar beëindigde deze in augustus 2018. Vervolgens stelde het UWV vast dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt was en dat hij geen recht had op een WIA-uitkering vanaf september 2018. Op 15 oktober 2018 meldde eiser zich opnieuw ziek vanuit een WW-uitkering, maar het UWV weigerde een Ziektewetuitkering toe te kennen.
Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het UWV verklaarde deze bezwaren ongegrond. Eiser stelde beroep in bij de rechtbank, maar diende voorafgaand aan de zitting geen beroepsgronden in. Tijdens de zitting kreeg hij de mogelijkheid deze alsnog te formuleren, maar hij zag hiervan af vanwege toevoegingsformaliteiten.
De rechtbank oordeelde dat het beroep daarom niet-ontvankelijk is. Er was geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door rechter Römers en griffier Buteijn op 31 maart 2020 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het besluit van het UWV wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden.