ECLI:NL:RBZWB:2020:1661

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 maart 2020
Publicatiedatum
6 april 2020
Zaaknummer
351566
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:11 BWArt. 2:19 lid 4 BWArt. 8 lid 1 Brussel I bis-Verordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurdersaansprakelijkheid houdstermaatschappij voor niet-betaald salaris werknemer dochtermaatschappij

De werknemer [eiser] was in dienst bij dochtermaatschappij Gersys, die werkzaamheden verrichtte voor IBS, de houdstermaatschappij en softwareontwikkelaar. IBS bepaalde de voorwaarden en ontving de opbrengsten, terwijl Gersys de kosten droeg, waaronder salarissen. Ondanks een partnerovereenkomst en rekening-courantverhouding betaalde Gersys het salaris van [eiser] niet volledig, waarna hij een gerechtelijke vordering instelde.

De kantonrechter veroordeelde Gersys tot betaling van achterstallig loon, maar Gersys werd ontbonden zonder betaling te verrichten. [Eiser] stelde IBS en haar bestuurder aansprakelijk wegens onrechtmatig handelen en schending van een bijzondere zorgplicht jegens werknemers van de dochtermaatschappij.

De rechtbank oordeelde dat IBS als houdstermaatschappij en bestuurder een bijzondere zorgplicht had om ervoor te zorgen dat Gersys haar verplichtingen kon nakomen. IBS had deze plicht geschonden door geen maatregelen te nemen terwijl zij wist dat salarisbetalingen uitbleven. Op grond van artikel 2:11 BW Pro werd ook de bestuurder hoofdelijk aansprakelijk gesteld. De vordering van [eiser] tot schadevergoeding van € 92.855,91 werd toegewezen, vermeerderd met rente en kosten.

Uitkomst: IBS en haar bestuurder worden hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor betaling van € 92.855,91 aan schadevergoeding wegens niet-betaald salaris werknemer dochtermaatschappij.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster II Handelszaken
Middelburg
zaaknummer / rolnummer: C/02/351566 / HA ZA 18-716
Vonnis van 25 maart 2020
in de zaak van
[eiser],
wonende te Papendrecht,
eiser,
advocaat mr. G.E. Doelman te Papendrecht,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
INVENT BUSINESS SOFTWARE B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
2.
[gedaagde sub 2],
wonende te Longkamp, Duitsland,
gedaagden,
advocaat mr. J.C. Debije te Rotterdam.
Partijen zullen hierna [eiser] en IBS c.s. worden genoemd. Gedaagden worden aangeduid als IBS en [gedaagde sub 2].

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 1 mei 2019;
  • de van de zijde van [eiser] aan de rechtbank toegezonden producties 19 tot en met 25;
  • het proces-verbaal van de op 17 september 2019 gehouden comparitie en de ter gelegenheid daarvan door mr. Doelman overgelegde spreekaantekeningen;
  • de akte overlegging producties van IBS c.s., met producties;
  • de antwoordakte.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde sub 2] is enig bestuurder en aandeelhouder van IBS. IBS exploiteert door [gedaagde sub 2] ontwikkelde software. Zij verkoopt licenties voor het gebruik van die software en bijbehorende onderhoudscontracten aan derden die haar daarvoor een vergoeding betalen. IBS heeft geen personeel.
2.2.
IBS is enig bestuurder en aandeelhouder van Gersys B.V. (hierna: Gersys). Volgens een door IBS c.s. overgelegde, tussen haar en Gersys gesloten ‘partnerovereenkomst’ van 1 februari 2013 (productie 5 akte) heeft IBS Gersys het recht verleend om bepaalde software “namens en als IBS” volgens door IBS bepaalde prijzen en voorwaarden op de markt te brengen en aan derden te verkopen tegen betaling door IBS aan Gersys van een in de overeenkomst genoemde provisie. Daarnaast bepaalt de overeenkomst dat Gersys van IBS een vergoeding op uurbasis ontvangt voor werkzaamheden die ten behoeve van IBS of haar klanten zijn uitgevoerd. Deze vergoeding is volgens de overeenkomst gelijk aan “het vastgesteld intern tarief per medewerker, gebaseerd op salariskosten met een opslag van 20%”.
2.3.
Per 1 februari 2013 is [eiser] als projectmanager voor onbepaalde tijd in dienst getreden van Gersys tegen een brutosalaris van € 4.300,00 per maand, vermeerderd met vakantietoeslag en emolumenten. Voor 1 februari 2013 had [eiser] met [gedaagde sub 2] een bedrijf geëxploiteerd dat zich bezighield met de exploitatie van de door [gedaagde sub 2] ontwikkelde software. Per 1 februari 2013 zijn naast [eiser] de heer [X] als systeemspecialist en [mevrouw Y] (de dochter van [gedaagde sub 2]) als administratief medewerkster bij Gersys in dienst getreden.
2.4.
De door [eiser] tijdens zijn dienstverband met Gersys verrichte werkzaamheden bestonden uit de installatie van door IBS aan derden verkochte software, het inregelen van deze software, ondersteuning van klanten bij het gebruik van de software en het oplossen van storingen. Hij verrichtte deze werkzaamheden vanuit huis of op locatie bij de klanten van IBS. [X] verrichte soortgelijke werkzaamheden.
2.5.
De overeenkomsten voor het verrichten van de hiervoor genoemde onderhoud- en consultancywerkzaamheden werden aangegaan door IBS. IBS heeft deze werkzaamheden uitbesteed aan Gersys. [eiser] en [X] verantwoordden de door hen gewerkte uren in een softwareprogramma van IBS. IBS heeft de vergoeding daarvoor bij haar klanten in rekening gebracht en deze is aan IBS betaald.
2.6.
Tussen IBS en Gersys bestond een rekening-courantverhouding. (Voorschotten op) het salaris van [eiser] zijn zowel door IBS als Gersys betaald.
2.7.
Tijdens het dienstverband heeft [eiser] bij herhaling aan [gedaagde sub 2] verzocht om betaling van (voorschotten op) zijn salaris. Op 14 januari 2016 heeft [eiser] een verzoekschrift ingediend bij de kantonrechter te Rotterdam, waarin hij onder meer heeft gevorderd Gersys te veroordelen tot betaling van achterstallig salaris.
2.8.
Bij beschikking van 28 april 2016 heeft de kantonrechter – voor zover hier van belang – Gersys veroordeeld tot betaling van € 65.274,00 bruto aan achterstallig loon en overige emolumenten over de periode van 2013 tot en met december 2015 en een bedrag van € 7.171,06 netto aan representatiekosten en onkostendeclaraties over die periode. Daarnaast heeft de kantonrechter Gersys veroordeeld om binnen 14 dagen een deugdelijke salarisspecificatie aan [eiser] te verstrekken op straffe van verbeurte van dwangsommen met een maximum van € 2.500,00. Tot slot is Gersys veroordeeld om de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 1.159,00 aan [eiser] te betalen en is Gersys veroordeeld in de kosten van het geding, begroot op € 1.373,08. Van de beschikking is geen hoger beroep ingesteld.
2.9.
Gersys heeft niet aan de veroordeling voldaan. De algemene vergadering van aandeelhouders van Gersys heeft Gersys per 31 augustus 2016 ontbonden, waarna zij op de voet van artikel 2:19 lid 4 BW Pro bij gebrek aan baten is opgehouden te bestaan.
2.10.
Ten tijde van de ontbinding had [X] volgens IBS c.s. een vordering van ongeveer € 40.000,00 op Gersys wegens achterstallig salaris. Een vordering van € 42.500,00 van de Belastingdienst op Gersys, heeft Gersys in december 2015 en januari 2016 betaald, nadat IBS dit bedrag aan Gersys had overgemaakt.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – voor recht te verklaren dat IBS c.s. aansprakelijk is voor de door hem geleden schade en IBS c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 92.855,91, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
Hij legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat IBS en [gedaagde sub 2] in de bestaande constructie, waarbij Gersys een ‘personeelsvennootschap’ was en geen eigen inkomsten genereerde, ervoor dienden te zorgen dat Gersys haar verplichtingen jegens haar werknemers kon nakomen. Volgens [eiser] hebben IBS en [gedaagde sub 2] jegens hem onrechtmatig gehandeld doordat zij bewust hebben bewerkstelligd dat Gersys geen financiële middelen had om aan haar verplichtingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst te voldoen en Gersys vervolgens geen verhaal bood. Volgens [eiser] kunnen [gedaagde sub 2] en IBS een ernstig verwijt worden gemaakt. De aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2] is tevens gegrond op artikel 2:11 BW Pro. Daarnaast stelt [eiser] dat IBS de schuldeisers van Gersys selectief heeft betaald doordat [X] zijn salaris wel heeft gekregen. [eiser] stelt dat hij als gevolg van de onrechtmatige daad schade heeft geleden die bestaat in de bedragen die Gersys op grond van de beschikking van de kantonrechter diende te betalen, vermeerderd met een vergoeding van € 12.006,83 wegens niet genoten vakantiedagen tot en met 2015 en met wettelijke rente tot 1 oktober 2018 ten bedrage van € 4.371,94 en verminderd met een door IBS betaald bedrag van € 1.000,00.
3.3.
IBS c.s. voert verweer. Zij betwist dat zij onrechtmatig heeft gehandeld, dat [gedaagde sub 2] en IBS een ernstig verwijt treft ter zake van de niet-nakoming van de verplichtingen door Gersys en dat [eiser] is benadeeld in zijn verhaal op Gersys. Volgens IBS c.s. werden over en weer bestaande vorderingen van IBS en Gersys verwerkt in de rekening-courantverhouding, heeft IBS Gersys de afgesproken vergoeding voor de door Gersys verrichte werkzaamheden betaald, zijnde € 40,00 exclusief btw, en heeft zij daarenboven onverplicht in feite de belastingschuld van Gersys betaald. Dat Gersys geen verhaal biedt, is het gevolg van de omstandigheid dat er te weinig onderhoud- en consultancywerkzaamheden waren om de salaris- en overige werknemerslasten te betalen en is vooral te wijten aan het onvoldoende functioneren van [eiser], die samen met [X] de omzet van Gersys diende te genereren, zo stelt IBS c.s. Wat de verweten selectieve betaling betreft, stelt IBS c.s. dat [X] afstand heeft gedaan van zijn vorderingsrecht jegens Gersys in ruil waarvoor IBS een regeling in het vooruitzicht heeft gesteld.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Omdat [gedaagde sub 2] in Duitsland woont, zal de rechtbank eerst beoordelen of zij rechtsmacht heeft. Naar het oordeel van de rechtbank is dit het geval. Artikel 8 lid 1 Brussel Pro I bis-Verordening bepaalt dat een persoon die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, ook kan worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van een andere verweerder indien er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om gelijktijdige behandeling en berechting. IBS heeft woonplaats in Nederland, terwijl er tussen de vorderingen jegens [gedaagde sub 2] en IBS een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om gelijktijdige behandeling en berechting.
4.2.
De rechtbank overweegt dat in de hier feitelijk aan de orde zijnde groepsstructuur alle werknemers die met de uitvoering van door IBS met derden gesloten overeenkomsten waren belast, met uitzondering van [gedaagde sub 2], werkzaam waren bij Gersys. IBS bepaalde de voorwaarden waaronder die overeenkomsten werden gesloten en welke werkzaamheden Gersys diende te verrichten. De inkomsten uit de door IBS gesloten licentie- en onderhoudscontracten kwamen ten goede aan haar en hetzelfde geldt in beginsel voor de inkomsten uit de door Gersys verrichte werkzaamheden, terwijl de daarmee gepaard gaande kosten, waaronder het salaris van de werknemers van Gersys, in beginsel voor rekening van Gersys kwamen. In wezen was sprake van een onderneming waarbij IBS de inkomsten genereerde en in Gersys de kosten werden gemaakt. Welke vergoeding IBS voor die kosten aan Gersys verschuldigd was, is bepaald door IBS (als bestuurder van Gersys). Vaststaat dat de door IBS gegeven vergoeding onvoldoende was om de kosten van Gersys te dekken nu zowel vorderingen van de Belastingdienst als vorderingen van de werknemers onbetaald zijn gebleven.
4.3.
Indien veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat de door IBS aan Gersys betaalde vergoeding voor het verrichten van de onderhoud- en consultancywerkzaamheden onder omstandigheden de kosten van Gersys zou kunnen dekken – hetgeen door [eiser] wordt betwist – geldt dat IBS reeds kort na het opzetten van de hier aan de orde zijnde groepsstructuur geacht moet worden ermee bekend te zijn geweest dat dit in de praktijk niet lukte en dat het salaris van werknemers van Gersys niet of niet tijdig kon worden betaald. Mede gelet op deze bekendheid rustte op IBS als houdstermaatschappij en bestuurder van Gersys in de hiervoor onder 4.2 genoemde omstandigheden een bijzondere zorgplicht jegens de werknemers van Gersys die werkzaamheden hebben verricht waarvan de opbrengst juist ten goede is gekomen aan IBS (Vgl. HR 11 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4033,
Comsys/Van den End). Door vervolgens geen enkele maatregel te nemen ter bescherming van het belang van [eiser] waardoor zijn salaris en kosten voor een groot deel onbetaald zijn gebleven, heeft IBS niet aan die zorgplicht voldaan en heeft zij jegens [eiser] onrechtmatig gehandeld. Dat geldt te meer nu IBS c.s. geen inzicht heeft gegeven in de opbrengsten van de door Gersys verrichte werkzaamheden die haar ten goede zijn gekomen.
4.4.
Op grond van artikel 2:11 BW Pro rust de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder tevens hoofdelijk op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder was. Nu IBS als bestuurder aansprakelijk is, is [gedaagde sub 2] op grond van deze bepaling hoofdelijk aansprakelijk.
4.5.
De rechtbank passeert als onvoldoende gemotiveerd het verweer van IBS c.s. dat het vonnis van de kantonrechter onjuist is en dat [eiser] (meer dan) zijn salaris heeft ontvangen. Zoals uit de arbeidsovereenkomst met [eiser] blijkt, had [eiser] niet slechts recht op betaling van salaris, maar eveneens op vakantietoeslag, een leaseauto en kostenvergoedingen. Uit het door IBS c.s. overgelegde betalingsoverzicht kan zonder nadere toelichting niet worden afgeleid dat IBS aan haar betalingsverplichtingen jegens [eiser] heeft voldaan.
4.6.
De vordering van [eiser] zal gelet op het voorgaande en nu die overigens niet is weersproken worden toegewezen. IBS c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding worden veroordeeld, aan de zijde van [eiser] begroot op € 99,91 wegens dagvaardingskosten, € 79,00 aan griffierecht en € 2.685,00 aan salaris advocaat (2,5 x tarief IV). Nakosten en wettelijke rente zijn toewijsbaar als hierna is vermeld.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verklaart voor recht dat IBS en [gedaagde sub 2] aansprakelijk zijn voor de door [eiser] geleden en nog te lijden schade ontstaan uit de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en Gersys;
5.2.
veroordeelt IBS en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, aldus dat indien en voor zover de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 92.855,91 ter zake van schadevergoeding als gespecificeerd onder 36 van de dagvaarding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2018 tot de dag van voldoening;
5.3.
veroordeelt IBS en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de kosten van het geding, aan de zijde van [eiser] begroot op € 178,91 aan verschotten en € 2.685,00 voor salaris en op € 157,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit vonnis plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen na de uitspraak van dit vonnis dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Louwerse en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2020.