Uitspraak
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
- Huiddeel A [AAKD5405NL]: inschot traject B
- Huiddeel B [AAKD5406NL]: inschot traject A
- Huiddeel C [AAKD5407NL]: uitschot traject A
- De huls tussen de benen van het slachtoffer [AALF5057NL]
- De huls uit de revolver die als laatste verschoten was [AAJS8721NL]
- [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij op een ijzer voorwerp (volgens [verdachte] een huls) is gaan staan en dat hij deze terug op de grond heeft gelegd. Uit het technisch onderzoek dat in de flat is verricht, blijkt echter dat op de grond van de flat geen huls is aangetroffen.
- [medeverdachte 1] heeft bij de politie en de rechter-commissaris verklaard dat de Golf eerst is gestopt toen hij de auto midden op straat tegenhield en dat de auto vervolgens weer is gestopt op de parkeerplaats waar ze hebben gerookt. Blijkens de GPS-gegevens van de Golf, is de Golf echter slechts eenmaal gestopt, te weten op het parkeerterrein in de [straatnaam 1] . De Golf heeft tussen het wegrijden naast de flat aan de [adres 5] en de stop op het parkeerterrein in de [straatnaam 1] niet stil gestaan.
- [medeverdachte 1] verklaart dat ze gingen inbreken en dat ze daarom de woning hebben verlaten. Hij geeft aan niet meer te weten wat voor inbrekerswerktuigen ze hebben gehaald. De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig. Als ze daadwerkelijk het plan zouden hebben gehad om te gaan inbreken, zou [medeverdachte 1] weten wat voor werktuigen ze daarvoor zouden hebben meegenomen en waar die zijn gebleven, te meer nu hij over andere details die in dezelfde periode hebben plaatsgevonden nog wel gedetailleerd kan verklaren.
- [medeverdachte 1] heeft ook verklaard dat hij van ver al zag dat de Golf die aan kwam rijden de Golf van [slachtoffer] betrof. De rechtbank acht die verklaring eveneens ongeloofwaardig. Het was midden in de nacht en [medeverdachte 1] geeft niet aan waaraan hij de auto dan precies herkende. In ieder geval zat [slachtoffer] er zelf op dat moment volgens [medeverdachte 1] niet in, dat zag hij pas toen hij de auto had laten stoppen. [slachtoffer] maakte gebruik van een veel voorkomende Golf zonder specifieke kenmerken. Dat [medeverdachte 1] en [verdachte] in het donker al van ver konden zien dat de Golf die kwam aanrijden de Golf van [slachtoffer] betrof is daarom niet aannemelijk.
- Hypothese 1a: Verdachte [medeverdachte 1] heeft het slachtoffer in het hoofd geschoten.
- Hypothese 1b: Verdachte [verdachte] heeft het slachtoffer in het hoofd geschoten.
- Hypothese 2: Eén of twee onbekende daders hebben het slachtoffer in het hoofd geschoten, verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] waren daarbij niet aanwezig. Verdachten hebben vlak na het incident één van de, of beide, vuurwapens Zastava AALF6441NL en revolver AALF6493NL vast gehad (maar niet verschoten).
back-spatter: kleine bloedspatjes en weefseldeeltjes die bij het binnentreden van een kogel in een lichaam de kant van de schutter op vliegen. In de directe omgeving van het gelaat van het slachtoffer werd echter geen enkel relevant bloedspoor gevonden. Een verklaring voor deze zeer beperkte reikwijdte van de
back-spatterzag de deskundige in de gaswolk en drukgolf die vrijkwamen bij het afvuren van de vuurwapens die de bloedspatjes terug hebben ‘geduwd’ richting de inschotverwondingen.
back-spatterpaste dit volgens de deskundige echter even goed bij IDFO-hypotheses 1a en 1b als bij IDFO-hypothese 2. De deelconclusie was dan ook dat de bevindingen
ongeveer even waarschijnlijkwaren onder beide hypotheses.
iets waarschijnlijkerwaren onder IDFO-hypotheses 1a en 1b, dan onder IDFO-hypothese 2.
iets waarschijnlijkeronder IDFO-hypothese 1a en 1b, dan onder IDFO-hypothese 2. Dit bewijs over de relatie tussen de verdachten en het schieten van de vuurwapens was dus zwakker dan het sterke bewijs over de relatie tussen de vuurwapens en het schietincident. Deze twee relaties vormden volgens de deskundige zogenoemd ‘serieel bewijs’. Bij een dergelijke bewijsrelatie wordt de algehele bewijskracht bepaald door de zwakste schakel in de keten van bewijsrelaties; in dit geval dus de bewijskracht van het schotresten-deelonderzoek.
- De combinatie van de geëvalueerde forensische bevindingen zijn
- De combinatie van de geëvalueerde forensische bevindingen zijn
op dat momentgeen nadere duiding worden gegeven aan de verzameling schotrestdeeltjes. Dit is de opmerking waar de verdediging op doelt.
volledigzouden zijn verwijderd.
iets waarschijnlijkeris als IDFO-hypotheses 1a en 1b waar zijn, dan als IDFO-hypothese 2 waar is. In andere woorden: de forensische bevindingen passen
ietsbeter bij het scenario waarin de verdachten het slachtoffer door het hoofd hebben geschoten, dan bij het scenario waar (een) onbekende dader(s) dit heeft/hebben gedaan, en de verdachten achteraf de vuurwapens hebben vastgehad.
5.De strafbaarheid
6.De strafoplegging
7.De benadeelde partij
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
een gevangenisstraf van 20 jaar;