Eiseres werkte tot 1 juli 2017 bij een werkgever en ontving daarna een WW-uitkering. Zij werkte vervolgens als teamleider klantenservice tot september 2018, viel uit wegens zwangerschapsklachten en kreeg een Wazo-uitkering. Na haar bevalling in oktober 2018 kende het UWV haar een Ziektewetuitkering toe. Op 2 april 2019 beëindigde het UWV deze uitkering per 1 april 2019, omdat eiseres volgens medisch onderzoek weer arbeidsgeschikt was.
Eiseres maakte bezwaar en voerde aan dat haar psychische en fysieke klachten, waaronder depressieve klachten en bekkenproblemen, haar arbeidsongeschikt maakten. Zij verwees naar een rapport van een verzekeringsarts die haar beperkingen bevestigde. Het UWV baseerde zich echter op rapportages van verzekeringsartsen die stelden dat de klachten niet medisch objectief waren en dat de sociale omstandigheden geen grond voor arbeidsongeschiktheid vormden.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de motivering van het UWV voldoende overtuigend was. De sociale en persoonlijke omstandigheden van eiseres konden niet leiden tot een andere beoordeling binnen het kader van de Ziektewet. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering bevestigd.