ECLI:NL:RBZWB:2020:1742

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 april 2020
Publicatiedatum
10 april 2020
Zaaknummer
AWB - 20_327
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:41 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling college Breda in proceskosten wegens niet tijdig beslissen Participatiewet-aanvraag

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college van burgemeester en wethouders van Breda op het bezwaar tegen het niet in behandeling nemen van een aanvraag op grond van de Participatiewet. Nadat het college alsnog op het bezwaar had beslist, trok verzoeker het beroep in en verzocht om veroordeling van het college in de proceskosten.

De rechtbank oordeelde dat het college door alsnog te beslissen gedeeltelijk aan verzoeker was tegemoetgekomen en dat het beroepschrift voldeed aan de vereisten voor beroep tegen niet tijdig beslissen. De rechtbank stelde vast dat het griffierecht reeds vergoed moest worden door het college en veroordeelde het college daarnaast in proceskosten van €262,50, rekening houdend met een wegingsfactor van 0,5 vanwege de lichte aard van de zaak.

De uitspraak werd gedaan door rechter P.H.J.G. Römers op 10 april 2020 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Verzet tegen deze uitspraak is mogelijk binnen zes weken na verzending.

Uitkomst: Het college van burgemeester en wethouders van Breda is veroordeeld tot vergoeding van €262,50 aan proceskosten wegens niet tijdig beslissen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/327 PW
uitspraak van 10 april 2020 van de enkelvoudige kamer op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen

[naam verzoeker] , te [plaatsnaam] , verzoeker,

gemachtigde: mr. C. van der Ent,
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder.

Procesverloop

De gemachtigde van verzoeker heeft bij brief van 15 januari 2020 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college op het bezwaar van verzoeker gericht tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag in gevolge de Participatiewet.
Bij besluit van 30 januari 2020 heeft het college op het bezwaarschrift beslist.
Vervolgens heeft de gemachtigde van verzoeker het beroep ingetrokken, met het verzoek het college te veroordelen in de proceskosten. Het college heeft zich bij brief van 5 maart 2020 primair op het standpunt gesteld dat er geen proceskostenvergoeding aan de orde is, nu het besluit kort na kennisgeving van het beroep is verzonden. Indien de rechtbank oordeelt dat er wel een proceskostenvergoeding dient te worden toegekend, dan stelt het college zich op het standpunt dat een wegingsfactor van 0,5 dient te worden gehanteerd.
De rechtbank heeft, met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.
2. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het besluit van 30 januari 2020 dat het college in ieder geval gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen door naar aanleiding van het beroep alsnog op het bezwaarschrift te beslissen. Dat de beslissing op bezwaar kort na de kennisgeving van het beroep is verzonden, maakt dit niet anders. Daarnaast was op het moment van ontvangst van het beroepschrift op 16 januari 2020 de beslistermijn voor het nemen van een besluit ruimschoots verstreken. Daarmee voldoet het beroepschrift aan de in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb bepaalde vereisten voor het indienen van een beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank ziet dan ook aanleiding het college te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Daarbij merkt de rechtbank het gewicht van de onderhavige zaak aan als licht, gelet op de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, waarin is overwogen dat geschillen met betrekking tot het uitblijven van een besluit als licht moeten worden beschouwd. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 262,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 525, en wegingsfactor 0,5).
3. De rechtbank overweegt ten overvloede dat het college op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb het griffierecht van € 48,- aan verzoeker dient te vergoeden, zodat een veroordeling daartoe niet nodig is.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het college in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 262,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.J.G. Römers, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 10 april 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is buiten staat om deze uitspraak mede te ondertekenen.
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank.