ECLI:NL:RBZWB:2020:1758

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 april 2020
Publicatiedatum
13 april 2020
Zaaknummer
BRE 20/5473
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen buiten behandeling stellen Participatiewet-uitkering

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het dagelijks bestuur van Werkplein Hart van West-Brabant om zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Participatiewet buiten behandeling te stellen. Dit besluit was gebaseerd op het ontbreken van een taxatierapport van het schip waarop verzoeker woont, een vereiste voor de beoordeling van de aanvraag.

Verzoeker overwoog dat het taxatierapport onnodig duur was en dat het schip geen waarde had. Hij heeft uiteindelijk een taxatierapport overgelegd, maar pas na het bestreden besluit. De voorzieningenrechter overweegt dat het bestuursorgaan op grond van artikel 4:5 Awb Pro de aanvraag mag weigeren als gegevens ontbreken en de aanvrager niet binnen de gestelde termijn heeft aangevuld.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker geen nieuwe aanvraag heeft ingediend nadat zijn gemachtigde op 31 januari 2020 over het taxatierapport beschikte. Ook is het bestuursorgaan niet verplicht om later overgelegde gegevens mee te nemen in de heroverweging. Gezien de omstandigheden en het ontbreken van redenen om van deze discretionaire bevoegdheid gebruik te maken, wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Er is geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Verzoeker leeft in een nijpende situatie, maar de rechter kan niet vooruitlopen op de heroverweging door het bestuursorgaan. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het buiten behandeling stellen van de uitkeringsaanvraag wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/5473 PW VV

uitspraak van 3 april 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker], te [woonplaats verzoeker], verzoeker,

gemachtigde: mr. M.H. Steenbergen,
en

het dagelijks bestuur van Werkplein Hart van West-Brabant, verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 13 januari 2020 (bestreden besluit) van het dagelijks bestuur waarbij zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Participatiewet buiten behandeling is gesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Verzoeker heeft op 5 december 2019 een aanvraag om een uitkering op grond van de Participatiewet ingediend. Hij heeft toegelicht dat hij tot 2008 werkzaam is geweest als zelfstandig ondernemer maar dat hij sindsdien door een auto-ongeval kampt met medische klachten. Hij woont op een schip dat zijn eigendom is. Verzoeker verwachtte met zijn spaargeld de periode tot de AOW-leeftijd te kunnen overbruggen, maar hij is nu 65, de AOW-leeftijd is verhoogd en hij is door zijn spaargeld heen. Hij leeft van donaties en van de voedselbank.
Het dagelijks bestuur heeft in een brief van 16 december 2019 gevraagd om aanvullende gegevens, waaronder een taxatierapport/WOZ van het schip. Verzoeker heeft geen taxatierapport overgelegd, en ook niet gevraagd om verlenging van de termijn om de aanvraag aan te vullen.
Bij het bestreden besluit is de aanvraag buiten behandeling gesteld.
2. Verzoeker heeft in zijn verzoek toegelicht dat hij veronderstelde dat een taxatierapport honderden euro’s zou kosten terwijl duidelijk is dat het schip niets waard is en onverkoopbaar is. Hij heeft bij het bezwaarschrift een taxatierapport overgelegd en hij heeft gewezen op jurisprudentie waaruit verzoeker afleidt dat een bestuursorgaan bevoegd is om in bezwaar alsnog overgelegde gegevens en bescheiden te betrekken in de heroverweging van een besluit waaraan artikel 4:5 van Pro de Awb ten grondslag ligt, en alsnog een inhoudelijk besluit te nemen.
Op 20 maart 2020 heeft verzoeker zich gemeld om een nieuwe aanvraag in te dienen. Hij is in afwachting van een aanvraagformulier.
Verzoeker meent dat het dagelijks bestuur ten onrechte vasthoudt aan formaliteiten, terwijl het recht op bijstand sinds de overlegging van het taxatierapport kan worden vastgesteld.
Als gevolg van de sluiting van de voedselbanken is de situatie nijpend geworden.
Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om te bepalen dat hem in afwachting van de beslissing op bezwaar een uitkering toekomt.
3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.
4. In artikel 4:5, aanhef en onderdeel c, van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.
5. De voorzieningenrechter overweegt dat de door verzoeker beschreven omstandigheden aannemelijk maken dat hij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening.
6. Verzoeker heeft niet betwist dat is voldaan aan de voorwaarden om toepassing te geven aan artikel 4:5, eerste lid, van de Awb.
7. Uit de stukken blijkt dat verzoekers gemachtigde in ieder geval op 31 januari 2020 over het (ongedateerde) taxatierapport beschikte. Niet blijkt waarom verzoeker toen niet onmiddellijk een nieuwe aanvraag heeft ingediend. Met het oog op de beslistermijn van acht weken was dan inmiddels een beslissing op die aanvraag te verwachten geweest.
8. Verzoeker heeft gewezen op vaste rechtspraak waaruit blijkt dat het een bestuursorgaan, hoewel het hiertoe niet gehouden is, vrij staat ontbrekende gegevens die na het nemen van het primaire besluit alsnog zijn overgelegd, bij zijn heroverweging in aanmerking te nemen.
Volgens eveneens vaste rechtspraak, zoals de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 oktober 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BF3868), betreft deze bevoegdheid van het dagelijks bestuur een discretionaire bevoegdheid die door de rechter terughoudend dient te worden getoetst. Temeer nu verzoeker geen redenen heeft aangevoerd waarom het dagelijks bestuur in dit geval van die bevoegdheid gebruik zou moeten maken zal de voorzieningenrechter niet op de heroverweging vooruitlopen door de door verzoeker gevraagde voorlopige voorziening te treffen.
9. De voorzieningenrechter zal het verzoek dan ook afwijzen.
10. Er is geen reden om een proceskostenveroordeling uit te spreken.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsé, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Oudkerk, griffier, op 3 april 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid
deze uitspraak te ondertekenen.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.