Belanghebbende nam deel aan een televisieprogramma en ontving een vergoeding en een deel van de hoofdprijs. De producent hield loonheffingen in, maar de vraag was of deze bedragen als loon uit dienstbetrekking moesten worden aangemerkt.
De rechtbank stelde vast dat belanghebbende weliswaar in een gezagsverhouding stond tot de producent, maar dat de vergoeding niet gekoppeld was aan de verrichte arbeid en ook een vergoeding voor portretrechten bevatte. Ook de hoofdprijs was geen loon, omdat deze niet voortvloeide uit een dienstbetrekking.
Op basis van de deelnemersovereenkomst en het addendum concludeerde de rechtbank dat er geen arbeidsovereenkomst bestond en dat de vergoeding en prijs niet als loon konden worden belast. Het beroep van belanghebbende werd gegrond verklaard en de aanslag verminderd.
Daarnaast werd de inspecteur veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht aan belanghebbende vergoed. De uitspraak werd gedaan door rechter R. den Ouden op 16 april 2020.