ECLI:NL:RBZWB:2020:1848
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Verzoekster ontvangt sinds 2007 een bijstandsuitkering als alleenstaande ouder. Het college heeft haar uitkering ingetrokken en beëindigd per 1 januari 2020, omdat zij met haar partner een gezamenlijke huishouding voert. Dit is onderzocht aan de hand van een arbeidsdeskundig rapport, waarnemingen, een huisbezoek en een hoorzitting.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het college voldoende feiten heeft verzameld waaruit blijkt dat verzoekster en haar partner hun hoofdverblijf delen, waaronder het aantreffen van persoonlijke spullen van de partner in het huis, dagelijkse aanwezigheid, gezamenlijke boodschappen en het gebruik van een sleutel. De stelling van verzoekster dat haar partner op een ander adres staat ingeschreven en dat de spullen verband houden met een verhuizing, wordt niet aannemelijk geacht.
Omdat verzoekster uit eigen beweging geen melding heeft gemaakt van de gezamenlijke huishouding, heeft zij de inlichtingenplicht geschonden. De voorzieningenrechter concludeert dat het college terecht heeft besloten tot intrekking en beëindiging van de uitkering. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking en beëindiging van de bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding wordt afgewezen.