ECLI:NL:RBZWB:2020:1912

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 april 2020
Publicatiedatum
22 april 2020
Zaaknummer
20/5620
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b OpiumwetArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen sluiting woning wegens bestuursdwang op grond van Opiumwet

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de burgemeester van Waalwijk tot sluiting van haar woning en berging op grond van artikel 13b van de Opiumwet vanwege de vondst van een grote hoeveelheid hennep in de berging.

De voorzieningenrechter heeft overwogen dat de coronapandemie het belang van verblijf in eigen woonruimte vergroot, omdat thuisblijven essentieel is om verspreiding van het virus te beperken. Hoewel verweerder stelde dat verzoekster gebruik kan maken van noodopvang, is onvoldoende aangetoond dat er concrete alternatieven beschikbaar zijn die het risico op verspreiding van het virus net zo goed beperken.

Daarom is het belang van verzoekster om in haar eigen woning te verblijven zwaarder gewogen dan het bestuursrechtelijke belang van sluiting. De voorlopige voorziening is daarom toegewezen, waardoor de sluiting wordt geschorst tot zes weken na de uitspraak in de bodemzaak. Verweerder is veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en de sluiting van de woning wordt geschorst tot zes weken na de uitspraak in de bodemzaak.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/5620 VV

uitspraak van 22 april 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoekster] , te Waalwijk , verzoekster,

gemachtigde: mr. R. el Bellaj
en

de burgemeester van de gemeente Waalwijk, verweerder.

Derdebelanghebbende: Stichting Casade , te Waalwijk .

Procesverloop

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 11 maart 2020 (bestreden besluit) inzake de last onder bestuursdwang tot sluiting van een woning met berging aan [adres verzoekster] in Waalwijk voor de duur van drie maanden. Deze zaak heeft nummer 20/5621 WET.
Zij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Deze zaak heeft nummer 20/5620 VV.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.1
Bij het primaire besluit van 27 november 2019 heeft verweerder de woning en de berging gesloten omdat de politie op 30 september 2019 in de berging twee zwarte plastic zakken met in totaal 1.935 gram hennep heeft aangetroffen. Het verzoek om schorsing van het primaire besluit heeft de voorzieningenrechter bij uitspraak van 23 december 2019 ingewilligd. De last tot sluiting van de woning en de berging is geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Daarbij heeft de voorzieningenrechter, onder meer, overwogen dat in de berging een forse hoeveelheid hennep is aangetroffen en de woning met berging van verzoekster in een drugsgevoelige omgeving ligt, maar dat niet aannemelijk is dat verzoekster betrokken was bij de overtreding en dat het niet onmogelijk is om alleen de berging te sluiten.
2.2
Door de ongegrondverklaring van haar bezwaren is verzoekster gedwongen om uiterlijk 22 april a.s. haar woning te verlaten. Zij heeft aangegeven dat zij niet over voldoende financiële middelen beschikt om vervangende woonruimte te vinden.
In het bestreden besluit heeft verweerder opgemerkt dat als verzoekster geen onderdak kan
vinden bij familie of vrienden, zij zich kan wenden tot Traverse in Tilburg.
2.3
De voorzieningenrechter overweegt dat door de uitbraak van het coronavirus en de op dit moment van kracht zijnde beperkende maatregelen iedere Nederlander geacht wordt zoveel mogelijk thuis te blijven om verdere verspreiding van het coronavirus te voorkomen. Onder deze omstandigheden is het dus van nog meer belang dan anders om over eigen woonruimte te kunnen beschikken. Verweerder heeft in het bestreden besluit alleen in het algemeen overwogen dat als verzoekster geen onderdak kan vinden bij familie of vrienden, zij gebruik kan maken van de (nood)opvang die Traverse biedt. Daarmee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende rekening gehouden met de belangen van verzoekster. Aangenomen kan worden dat ook bij Traverse wordt voldaan aan de opgelegde beperkende maatregelen, maar dat neemt niet weg dat het risico van verdere verspreiding van het coronavirus beperkter is indien verzoekster in eigen woonruimte kan verblijven. Nu uit het bestreden besluit en uit de overige stukken niet blijkt dat er concreet specifiek voor verzoekster geschikte alternatieve woonruimte beschikbaar is, dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter bij afweging van de betrokken belangen doorslaggevend gewicht te worden toegekend aan het belang van verzoekster om nog gedurende de periode dat in Nederland de hiervoor bedoelde beperkende maatregelen van kracht zijn in haar eigen woning te kunnen verblijven.
3. Dit betekent dat het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening zal worden ingewilligd. De begunstigingstermijn zal worden verlengd tot 6 weken na de bekendmaking van de uitspraak van de rechtbank op het beroep van verzoekster met zaaknummer 20/5621 WET.
De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 262,50 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift om een voorlopige voorziening met een waarde per punt van € 525, en wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • treft de voorlopige voorziening dat het primaire besluit van 27 november 2019 wordt geschorst tot zes weken na bekendmaking van uitspraak van de rechtbank inzake 20/5621 WET;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,-- aan verzoekster te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 262,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Kok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier op 22 april 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.
P.H.M. Verdonschot, griffier G.M.J. Kok, voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.